Schuilen voor kogels in het spoorwachtershuisje

In de dertien jaar dat hij aan dit spoor werkt, had Ibrahim Amac nooit bijzonder veel te vertellen tijdens het avondeten met zijn vrouw en twee zoons. Twaalf treinen doorgelaten. Een sein op groen, een sein op rood. Dat was het wel zo’n beetje voor een doorsnee werkdag. Spoorwachter in het grensstadje Akcakale in het zuidoosten van Turkije.

Een paar maanden geleden perforeerden de eerste kogels uit een AK-47 machinegeweer de buitenmuur van het spoorwachtershuisje. Zes duimgrote gaten zitten er, als een kransje rond de deurpost. Het spoor is hier de grens tussen Turkije en Syrië. Sinds oktober vorig jaar is dat spoor ook de frontlinie.

Die eerste keer dat de kogels en granaatscherven de grens overkwamen, zal de spoorwachter nooit vergeten. Hier zocht hij dekking, zegt hij, springt op van zijn bureaustoel en legt zijn hoofd in de hoekige schoot van de buitenmuur en tussenmuur, die er haaks op staat. „We hebben dikke muren. Twintig centimeter moet genoeg zijn, hoopte ik.” De passagierstrein reed die dag nog. Zonder passagiers. Alleen acht man personeel aan boord. Die hebben allemaal onder het bureau gelegen in dit huisje. Een afgezwaaide mortiergranaat doodde die dag vijf leden uit hetzelfde gezin in Akcakale. Toen had hij eindelijk wat te vertellen, aan het avondmaal. Maar de spoorwachter heeft zijn mond gehouden. „Ik sta doodsangsten uit, elke dag dat ik in dit kantoor doorbreng. Dan heb ik liever niet dat mijn vrouw zich ook nog zorgen maakt.”

Akcakale ligt langs het 1.600 kilometer lange spoor dat Istanbul verbindt met Bagdad. De rails zijn begin vorige eeuw gefinancierd door de Duitse keizer Wilhelm II die met hulp van de Ottomanen de Iraakse olievelden hoopte te tappen. Sommigen beweren dat de aanleg van dit spoor de aanleiding was tot de Eerste Wereldoorlog. Het spoor was af, tegen de tijd dat de Tweede Wereldoorlog begon. Dit spoor werd een IJzeren Gordijn, in tijden van de Koude Oorlog. Syrië was met de Russen en de Turken heulden met de Amerikanen. Uit die tijd stammen ook de landmijnen langs de bielzen. Dit spoor heeft alle oorlogen van de vorige eeuw gezien.

Het geluid van ratelende machinegeweren waait de grens over. De Turkse soldaten die langs het spoor slenteren, lijken niet in het minst bezorgd. Wat daar, hemelsbreed 200 meter verderop gebeurt, is niet hun oorlog. Tenzij een mortiergranaat per abuis deze kant op afzwaait. Dan schieten de Turken terug. In de hoop dat ze dan voortaan, aan de andere kant van het spoor, beter opletten.

Drie weken geleden viel een mortiergranaat bovenop een wagon op het rangeerterrein. Dat was heel dichtbij. Maar het kantoor van de spoorwachter blijft open. „Totdat een mortiergranaat hier valt. Dan zullen ze het kantoor wel sluiten”, zegt Amac, met zijn rode pet en seinstok onder handbereik. Wat kan hij anders doen? Zes goederentreinen passeren nog dagelijks dit station. Ze vervoeren meest kolen, kunstmest en koelkasten. Daarom zit hij hier, in het spoorwachterhuis aan het front.

Op de deur van de spoorwachter hangt een blaadje. Sinds 9 december hangt het daar, de dag dat de passagierstrein stopte met rijden. Op 31 mei wordt de dienst hervat. Dan is de oorlog wel voorbij, denken ze hier.