'Muziek geneest ons'

Chef-dirigent Mariss Jansons wordt gedreven door passie en geloof. In zijn broze gezondheid ziet hij geen reden minder te werken. „Een artiest heeft geen keuze. Koorts, moe, pijn? Jammer dan, hij moet performen.”

‘Is het koud buiten?’, vraagt Mariss Jansons (70). Hij schuift zijn stoel aan in het serrerestaurant van hotel Okura, Amsterdam. Het hotel waar de chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest een eigen suite bewoont in de weken dat hij niet in Sint Petersburg is (waar hij woont) of in München (waar hij ook dirigent is). Zijn lichtgroene ogen volgen de wandelaars aan de andere kant van de glazen pui. Alsof hij peilt hoe het buiten voelen zal. Hij is in zijn hotel of in het Concertgebouw, en anders in de auto waarin hij heen en weer gereden wordt. „Ik zou ook moeten wandelen”, zegt hij. Maar daarvoor ontbreekt hem de tijd. „Tot negen uur vanavond heb ik elk half uur een afspraak of een interview.” En dat nog wel op zaterdag, zijn vrije dag. Maar straks, om twee uur, gaat hij naar de Japanse masseur. Voor zijn armen, zijn nek, zijn schouders. „Alles moet soepel zijn. Very important.”

Omdat het Concertgebouworkest 125 jaar bestaat, geven Mariss Jansons en het orkest dit jaar 48 concerten in 30 steden op 5 continenten. Geen orkest ter wereld heeft dat ooit gedaan. „Ongekend”, zegt hij. Ik vraag of hij opziet tegen het reizen. „Ai, ai”, kermt hij, als een Italiaanse operazanger. „De jetlag. Het slaapgebrek. Vooral in Azië.” Direct heft hij zijn mes in de lucht, en hanteert het als baton. „Een artiest heeft geen keuze. Koorts, moe, pijn? Jammer dan, hij moet performen.” Maar, zegt hij: „De adrenaline helpt. Muziek verandert musici. Twee uur lang vergeten we alles.” Vorig jaar had hij een acute aanval van gordelroos. „Gurtelroze”, zegt hij, in zijn Duits-Russisch klinkende Engels. Een ziekte die opspeelt bij vermoeidheid en stress. „Vreselijke pijnen, elke dag.” Maar staat hij op het podium, dan merkt niemand iets aan hem. Dat er iets ernstigs aan de hand was, zag het publiek pas toen hij halverwege de uitvoering van La Bohème van Puccini al dirigerend in elkaar zakte. Een hartinfarct. Dat was in 1996.

Nu voelt hij zich goed, zegt hij. En zo ziet hij er ook uit. Zijn huid opvallend glad, een gestreken blauw overhemd, een bril met een dun goudkleurig montuur. Hij bestelt een salade van soft-shell krab en een glas appelsap.

Ik vraag of het zijn eigen keuze was om dirigent te worden. En zodra hij antwoord begint te geven, realiseer ik me hoe westers mijn vraag is. In het werelddeel waar hij geboren werd, is keuzevrijheid niet zo heilig. „Al toen ik drie of vier jaar oud was, begreep ik dat ik opgroeide in een artiestenfamilie.” Zijn vader dirigent, zijn moeder operazangeres. „Mijn moeder nam me altijd mee naar haar repetities. Ik was toeschouwer van haar leven. Daar, in het theater, werden mijn emoties en mijn impressies gevormd.” Hij heeft nog foto’s van zichzelf uit die tijd. „Een klein jongetje dat dirigentje aan het spelen was.” Hij kwam thuis uit school en verkleedde zich voor zijn ‘avondconcert’.

Nooit getwijfeld? Nooit, zegt hij. Nou, misschien heel even. Hij moet een jaar of negen zijn geweest. Ze woonden in Riga, Letland, en hij speelde buiten met zijn vriendjes. Voetbal. En dat kon hij goed. Zo goed, dat de trainer van het Letse voetbalteam bij hem thuis kwam om met zijn ouders te praten. „Hij zei: ‘Mariss heeft talent. Hij zou naar de sportacademie kunnen.’ Dat kan niet, zeiden mijn ouders. ‘Mariss wordt musicus.’” Jammer?, vraag ik. „Op dat moment wilde ik het allebei. Maar het was een goed besluit van mijn ouders.” Vond hij dat toen ook? „Ik was een good boy. Ik luisterde altijd naar wat mama zei.”

Het was vanzelfsprekend dat zijn moeder en hij – hij was haar „eerste en enige kind” – met zijn vader mee verhuisden toen hij dirigent werd in Sint Petersburg, toen nog Leningrad. Mariss, 13 jaar, ging naar het Rimski Korsakov-conservatorium. „Twaalf uur per dag leren en studeren. Wiskunde, grammatica en aardrijkskunde. Viool, piano, koor, en concertleiding.” En dan nog vier uur per week een privéleraar Russisch. „Want ik sprak alleen maar Lets.” Streng onderwijs, knikt hij. „Hoog niveau ook.” Hij heeft geprobeerd zo’n conservatorium op te zetten in Oslo, waar hij twintig jaar dirigent was. „Maar de ouders daar willen hun kind niet op een internaat.” Die ouders zijn bang dat te veel druk het talent van hun kind zal vermorzelen. Mariss Jansons duwt met twee handen een denkbeeldig ego onder de tafel. „Ik werd een beetje neergedrukt. Ik was braaf, bereid alles te doen voor de leraar. Maar ik ben nog altijd dankbaar voor de leerschool. Door discipline ben ik opengegaan als een bloem.”

Even later komt hij terug op de opvoeding van kinderen. Wie hem kent, weet dat hij twee stokpaardjes heeft: religie en kunst. „De remedie tegen al het kwaad.” Elk kind moet van jongsaf aan met allebei gevoed worden. Dat is geen keuze, dat moet. „Laat het luisteren naar klassieke muziek, neem het mee naar concerten en musea. Het zal zout zijn, in het begin misschien. Het wordt vanzelf zoet.” Hij lacht en verontschuldigt zich. „Sorry dat ik zo dictatoriaal ben. Laat ik het zo zeggen: kunst schaadt het kind niet.”

Hij, als zoontje van een beroemde dirigent op een beroemd conservatorium, kon zich geen middelmaat veroorloven. „Ik moest goed zijn.” En ja, dat was soms zwaar. „Maar gelukkig had ik mijn moeder.” Ze verwende hem. Niet met spullen, maar met liefde en zorg. „Als ik ziek was, belde ze altijd meteen de dokter.” Door het „vreselijke klimaat” in Sint Petersburg had hij vaak last van zijn luchtwegen. „Ik noem mezelf nu de beste dokter onder de dirigenten.” Hij voorziet iedereen van tips en adviezen. „Nee, nee, geen pillen. Dat ondermijnt het immuunsysteem en dan vecht je niet.” Hij buigt zich over tafel, vinger in de lucht. Wist ik dat dokters opvallend vaak grote muziekliefhebbers zijn? Hij heeft daar een theorie over. „Artsen hebben een zwaar beroep, ze zien elke dag drama’s. Kunst ontspant. Muziek heelt. Het geneest ons spiritueel.” Hij maakt een verontschuldigend gebaar. „Ach, mijn theorie is die van een dilletant natuurlijk.”

Hij heeft graag artsen om zich heen, hij heeft een dokter onder zijn beste vrienden. „Ik nodig de artsen die me behandelen altijd uit voor mijn concert.” Hij herkent iets in hen. „Als je van 7 uur ’s ochtends tot diep in de nacht in het ziekenhuis werkt, dan moet je vak wel je passie zijn. Ik herken hun liefde en opwinding. Dat je brandt voor je werk.” Uw vrouw, zeg ik, is ook arts. Hij knikt. „Spraaktherapeut.” Ze helpt mensen die door een ongeval of ziekte hun spraakvermogen verloren zijn. „Ze is ontzettend geduldig.” Vroeger hield ze praktijk in een kamer in hun huis. „Ik zat in de kamer ernaast te luisteren en explodeerde.” Hij drukt beide handen tegen zijn oren. „Niks voor mijn temperament. Het liefst rende ik de kamer binnen om de woorden eruit te slaan.”

Hij vertelt dat hij Irina leerde kennen tijdens een vakantie in Jalta, aan de Zwarte Zee. Zij, mooi en knap, liep de zee in. Hij zwom haar achterna. „We praatten. Zij bleek ook in Sint Petersburg te wonen. Zo’n toeval. Ik kon haar dus thuis ook weer ontmoeten.” Ik vraag hoe oud hij toen was. „42”, zegt hij. Hij ziet me rekenen. „Mijn vrouw en dochter waren ook mee die vakantie.” Hij is gescheiden en met Irina getrouwd. Met haar heeft hij geen kinderen. Hij lacht. „Irina zei: ‘ik heb genoeg aan jou’. Vrouw zijn van een artiest is heel moeilijk. Ik heb veel aandacht nodig. Ik ben heel kinderachtig.” Zij heeft zelfs haar werk opgegeven om hem op zijn reizen te kunnen vergezellen. „Een beslissing waaruit blijkt hoeveel ze van me houdt.”

Als toetje neemt hij een kopje kamillethee. Hij neemt een schepje kandij en zuigt erop terwijl hij kleine slokjes drinkt. Toen hij jonger was, zegt hij, wist hij niet hoe snel hij de stad in moest als hij ergens optrad. „Zo dom dat ik niet begreep dat je je energie moet sparen, ook als je je goed voelt.” Irina heeft hem geleerd dat een artiest zich op concertdagen stil en rustig moet houden. „’s Avonds komt alle energie eruit.” Hij lacht: „Vroeger, toen Rusland nog een dictatuur was, mochten musici hun echtgenotes nooit meenemen. Bang als ze waren dat we niet terug zouden komen.” De mannen – en hij dus ook – schreven bedelbrieven naar de minister van Cultuur. „Ach mevrouw de minister, ik heb zo’n zwakke gezondheid, mijn vrouw moet mee om voor me te zorgen.” Maar zijn vriend, de cellist en dirigent Mstislav Rostropovitsj schreef: ‘Ik ben een jonge, sterke man. Daarom moet mijn vrouw mee.’ Jansons schatert. „Ik concentreer me. Als een chirurg voor die ene operatie.”