Opinie

Medisch wonder

Mag een Maastrichtse hoogleraar preventieve geneeskunde geloven in een God, die onder invloed van een tot Hem gericht gebed een te kort been laat aangroeien? Dat is in wetenschappelijke kringen de afgelopen weken tot een interessante kwestie, eh, uitgegroeid.

De betreffende hoogleraar heet Onno van Schayck, die tal van functies in de gezondheidszorg heeft, waaronder kroonlid van de Gezondheidsraad, een adviesorgaan van de minister van Volksgezondheid. Vorig jaar was Van Schayck lijstduwer van de ChristenUnie in Limburg.

Van Schayck vertelde onlangs in een interview met de EO en op de website geloofenwetenschap.nl over een curieuze ervaring die hij 25 jaar geleden had. Hij was er getuige van hoe het been van iemand voor wie gebeden werd, aangroeide tot normale lengte; röntgenfoto’s zouden deze genezing later bevestigd hebben.

In het interview vertelt Van Schayck niets over de locatie, de betrokken persoon en de omstandigheden. In een toelichting op de kritisch-christelijke website Goedgelovig.nl zegt Van Schayck dat hij geen nadere informatie in zijn archief heeft kunnen terugvinden. „Mocht ik wat vinden dan laat ik u dit weten.” Hij zegt desgevraagd dat hij dit type genezing later nooit meer heeft meegemaakt.

Het Maastrichtse universiteitsblad Observant wees op een parallel met een ander medisch incident rond Van Schayck en het medische onderzoeksinstituut Caphri waarvan hij directeur is. In 2010 maakte Edward Dompeling, kinderlongarts en ook werkzaam bij Caphri, tijdens een evangelisatiereis door Birma mee dat blinde kinderen dankzij gebed ziende werden. Later bleek het een onhoudbare claim te zijn, en wees Van Schayck erop dat de reis een privéaangelegenheid was geweest.

Kortom, Maastricht ligt dichter bij Lourdes dan je anno 2013 zou verwachten.

Ik heb enkele video’s met interviews met Van Schayck bekeken. Hij was thuis gelovig opgevoed, had daarna een poos niet geloofd, maar besloot in zijn studietijd: „Ik wil geloven, tenzij ik ervan overtuigd raak dat het niet klopt.”

Luisterend naar zijn religieuze Werdegang moest ik denken aan de discussies die ik met mijn vrouw over dit onderwerp heb. Zij is ook stevig religieus opgevoed, maar gelooft helemaal niet meer in God.

„En jij?”, vroeg ze laatst weer eens. Ik zei dat ik nog steeds alle opties openhield: „Ik vermoed dat God niet bestaat, maar ik sluit niets uit. Ik weet het gewoon niet.” Dit antwoord bevredigt haar niet. Mij ook niet, maar kan ik het helpen? Ik heb geen beter antwoord.

„Straks ga jij ook nog in medische wonderen geloven”, zei ze.

„Ik ben er al mee begonnen”, zei ik. „Deze winter ben ik nog steeds niet verkouden geworden, terwijl ik dat sinds mensenheugenis altijd minstens tweemaal per winter werd.”

„En wat wil je daarmee zeggen?”

„Misschien komt het doordat ik God niet helemaal afschrijf. Ik zou me kunnen voorstellen dat God dat op Zijn manier kan waarderen.”

Ze deed niet eens moeite om me uit te lachen en liep weg. Toen besefte ik in welke onmogelijke positie professor Van Schayck zich gemanoeuvreerd heeft. Hoe bewijs je dat je 25 jaar geleden een been dankzij gebed duidelijk zag aangroeien? Mijn medisch wonder is eigenlijk veel groter, talloze mensen kunnen getuigen van mijn hopeloze verkoudheden, maar toch word zelfs ik niet geloofd. De mensen zijn ziende blind, net als die kinderen in Birma.