Rechters blij dat ze meer tijd voor een zaak mogen nemen

De raadsheren van het hof van Leeuwarden die zich eind vorig jaar per manifest keerden tegen de Raad voor de Rechtspraak, hun Haagse bestuursorgaan, zijn tevreden over de brief die de Raad donderdag verstuurde aan “iedereen werkzaam in de rechtspraak”. In de brief staat dat rechters meer tijd mogen nemen voor zaken.

Foto ANP / Koen van Weel

De raadsheren van het hof van Leeuwarden die zich eind vorig jaar per manifest keerden tegen de Raad voor de Rechtspraak, hun Haagse bestuursorgaan, zijn tevreden over de brief die de Raad donderdag verstuurde aan “iedereen werkzaam in de rechtspraak”. In de brief staat dat rechters meer tijd mogen nemen voor zaken als zij dat noodzakelijk vinden en dat de Raad de rekening zal neerleggen bij de politiek.

“Wij zijn heel blij verrast”, zegt Ruth van der Pol, woordvoerder van de zeven raadsheren die het initiatief namen tot het manifest, dat door 700 van de ongeveer 2.500 rechters werd ondertekend. Zowel toonzetting als inhoud stemmen “hoopvol”, zegt Van der Pol vandaag in NRC Handelsblad:

“Wij waren er huiverig voor dat ons manifest na de discussie in een la zou verdwijnen. Dat gebeurt dus niet.”

Raad en rechters groeiden uit elkaar

De laatste jaren groeiden de Raad voor de Rechtspraak en de rechters uit elkaar. Een belangrijke oorzaak was dat rechters steeds meer het gevoel kregen van bovenaf te worden aangestuurd. De Raad, ingesteld om de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht te versterken, stond in de ogen van veel rechters te dicht bij de politiek, en verloor voeling met de praktijk.

In het dagelijks werk leken productienormen in de plaats te komen van kwaliteitscriteria. De Raad, bestaand uit twee rechters en twee niet-rechters, zou dit versterken door alleen maar te hameren op een sluitende begroting bij de geldende prijzen – vergoedingen per zaak die gerechten ontvangen.

Rechters willen derde rechter in Raad

Volgens Van der Pol zijn zowel rechters als Raad voor de Rechtspraak bezig met het “metselen aan een brug om de kloof te dichten”. De Raad, citeert hij uit de brief, “acht een hernieuwde discussie wenselijk over het aantal leden in de Raad”:

“Daar kunnen we over doorpraten. Wij zouden het goed vinden als er een derde rechter bij zou komen, zodat rechters de meerderheid hebben.”

Hij juicht ook het voornemen van de Raad toe om minder te sturen op productie. Als civiele rechter bij een gerechtshof merkt hij dat rechters onder tijdsdruk soms snel zaken doorschuiven naar het hof:

“Mensen claimen bijvoorbeeld een aanspraak op iets. Dat moeten ze onderbouwen met feiten. De rechtbank oordeelt soms wel heel makkelijk dat zo’n claim ‘onvoldoende onderbouwd’ is. Terwijl ik die zaak dan zie en denk: Wat kunnen deze mensen nog meer doen om het te onderbouwen? Je moet het vertrouwen van mensen koesteren, je moet echt naar ze luisteren. En je niet laten leiden door ‘ik moet nog zoveel vonnissen doen’.”

Wat veel rechters ook niet zinde, was dat het bestuur van rechtbanken en hoven de laatste tijd van bovenaf leek te worden benoemd. De rechters hadden alleen formeel nog wat inspraak aan het eind van de procedure. De Raad voor de Rechtspraak oppert nu die “lokale inspraak” eerder te laten plaatsvinden. Van der Pol: “We krijgen wat meer zeggenschap over diegenen die ons besturen.”