Het ene naakt of het andere, dat boeide haar niet

Beeldhouwer Theresia van der Pant maakte het liefst beelden van dieren.

Atelier Theresia van der PANT.foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Amssterdam,okt.2002
Atelier Theresia van der PANT.foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Amssterdam,okt.2002

Het moet niet gemakkelijk geweest zijn voor een jonge vrouw om, in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog, kunstenaar te willen worden. Beeldhouwer nog wel, dat stoere ambacht dat destijds toch vooral als een mannelijk beroep werd gezien – daar heb je lef voor nodig. Theresia van der Pant (1924), dochter van een Schiedamse destillateur, deed het. Ze vertrok naar Amsterdam, meldde zich aan bij de Rijksacademie en volgde daar van 1946 tot 1950 lessen bij beeldhouwers Jan Bronner en Piet Esser. Met kunstenaars als Henry Moore en Constantin Brancusi als voorbeeld groeide ze uit tot een van de bekendste beeldhouwers in Nederland. Ze werd het eerste vrouwelijke bestuurslid van kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae. En ze gaf jarenlang zelf les aan de Rijksacademie, om uiteindelijk Esser op te volgens als hoogleraar van de beeldhouwafdeling.

Op zondag 3 februari overleed ze, op 88-jarige leeftijd, in haar woning in Amsterdam. Van der Pant zal vooral herinnerd worden om het stoere ruiterstandbeeld dat ze maakte van koningin Wilhelmina. Het beeld, dat sinds 1972 op het Amsterdamse Rokin staat, riep destijds veel wrevel op. Onder het motto ‘In onze rooie stad geen Wilhelmien’ werd gedreigd er een bom onder te plaatsen. Later, bij een Ajax-feest, werd het paard eens als zebra beschilderd, iets wat de kunstenares „niet eens zo lelijk” vond.

Beroemd is ook Van der Pants portret van de door haar zo bewonderde componist Igor Stravinsky, een bronzen kop die zich nu in de collectie van Museum Beelden aan Zee in Den Haag bevindt. Maar eigenlijk zijn die twee werken uitzonderingen in het oeuvre van Van der Pant. Ze hield helemaal niet zo van het portretteren van mensen. „Ik beeldhouw niet graag naaktfiguren”, zei ze daar in 2002 over in deze krant. „Er is weinig verschil tussen het ene naakt of het andere en dan in dat koude Nederland, nee. Kleding inspireert me al helemaal niet.”

Van der Pant hakte of boetseerde liever dieren – meer dan een halve eeuw lang. Urenlang bestudeerde ze de beesten in Artis, of ze las erover in de National Geographic. „Dieren wekken geen schroom op, er is geen verlegenheid”, vond ze. „Een zeehond of een dolfijn, zoals die uit het water komen, dat zijn al beelden op zichzelf.” Giraffes, katten, bizons en vooral talloze vogels horen tot haar oeuvre. Velen daarvan sieren nog altijd de openbare ruimte.

Toen ze rond 2000 last kreeg van reuma en het beeldhouwen niet meer ging, legde ze zich toe op het tekenen. Met kleurlijnen trachtte ze de nuances in Stravinsky’s Le Sacre du Printemps weer te geven. „Ik teken niet wat ik hoor, maar wat het bij me oproept”, aldus Van der Pant. „Een lijn kan licht zijn als een bloesem en zwaar als een storm.”

Sandra Smallenburg