Arabische illusies

Deze week vond een voetballer tijdens de training in een voetbalstadion in Damascus de dood toen een mortiergranaat insloeg. Hij was maar één van ten minste 70.000 Syriërs die de afgelopen 23 maanden om het leven zijn gekomen in de opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad.

Tegelijk verpersoonlijkte hij het om zich heen grijpen van de burgeroorlog in Syrië. Meer dan vier miljoen ontheemden en vluchtelingen zijn er inmiddels, en nergens is iemand meer veilig.

Niets scheen een democratische ommekeer in de Arabische wereld in de weg te kunnen staan, toen twee jaar geleden de Tunesische sterke man Zine al-Abidine Ben Ali ten val kwam na de massale opstand tegen zijn bewind, en kort daarop president Hosni Mubarak in Egypte. In Libië betekende een gewapende opstand het einde van het regime van Gaddafi.

De werkelijkheid van vandaag is een totaal andere dan die luchtspiegeling. Tunesië en Egypte: economische crisis en politieke impasse. Libië: veiligheidsvacuüm in een wapendump. Bahrein: doorgaande protesten en onderdrukking. Jemen: nog altijd op weg naar mislukte staat. Syrië: een ramp dus, met gevaarlijke uitstraling naar de buurlanden. Overal elders blijven de oude autocraten min of meer onbetwist aan de macht.

Het was destijds volstrekt onrealistisch om te verwachten dat de jonge, leiderloze Arabische opstanden meteen tot een democratisch feest zouden leiden in de landen waar ze de val van het regime hadden bewerkstelligd. Leiderloos betekende aan creditzijde dat vooralsnog zich er geen aankomende, nieuwe dictators presenteerden. Het voorbeeld van Iran in 1979, waar de charismatische ayatollah Khomeiny een islamitisch autoritair bewind vestigde in plaats van de seculiere autocratie, werd niet gevolgd.

Maar daartegenover stond dat er ook weinig idee achter de opstanden zat, afgezien van omverwerping van het oude regime en een ongedefinieerde voorstelling van vrijheid.

Ironisch genoeg bood die ideeënloosheid – die misschien juist uit een teveel aan ideeën voortkwam – die oude, met steun van het Westen onderdrukte Moslimbroederschappen en hun gelijkgezinden de kans om de macht over te nemen in Tunesië en Egypte. Die hadden immers wél een vastomlijnd idee dat prima in een leus te vatten was: de islam is de oplossing. Bovendien hadden de fundamentalisten zich in hun jarenlange oppositie populair gemaakt met een sociale dienstverlening die de regimes niet verschaften. Ook hadden ze zich goed georganiseerd.

Maar ook de fundamentalisten zijn er niet in geslaagd hun burgers een alternatief te bieden. De islam levert nu eenmaal niet de oplossing voor de grote en nog groeiende economische problemen als gevolg van de opstanden, die toeristen en investeerders hebben weggejaagd.

Bovendien hebben de Broederschappen binnen korte tijd de verdenking op zich geladen er vooral op uit te zijn vaste greep te krijgen op staatsinstellingen en maatschappij – met in het achterhoofd toch misschien de aanzet tot een islamitische revolutie, al is Morsi bepaald geen Khomeiny. Zo hebben ze hun opposanten haast permanent de straat op gekregen, met verdere desastreuze gevolgen voor de economie.

Het Westen kijkt hier werkeloos toe. Zelf verzand in economische crisis, voelt het zich niet in staat tot het leveren van de omvangrijke economische hulp die Tunesië en Egypte kan stabiliseren. Arabische revolutionairen hebben in dit verband verzucht dat zij voor hun opstand het slechtst denkbare moment hebben gekozen.

Toch vormen die voortgaande straatprotesten, in Tunesië, in Egypte, in Bahrein, hoe economisch onverantwoord ook, op dit moment het belangrijkste, overgebleven lichtpunt in een zeer moeilijke situatie. De burgers leggen zich niet meer bij de feiten neer. En met dat wapen kunnen ze op termijn hun revoluties nieuw leven in te blazen.

In Syrië is de situatie inmiddels echter dermate ontaard dat succesvol ingrijpen van buitenaf, als dat al mogelijk was geweest of als de Verenigde Staten en Europa daartoe bereid waren geweest, een illusie is geworden. Maar het is zeker niet te laat om nu alles in het werk te stellen om verdere verspreiding van de oorlog te voorkomen.