Week toptennis, nul dopingcontroles

Doping in het tennis? De romantici geloven er niets van. Sportartsen vinden die houding naïef. En de topspelers zelf willen meer controles.

Het ABN Amro-toernooi in Rotterdam was een week lang toptennis met 32 deelnemers in het enkeltoernooi, vier spelers uit de toptien, 1.267.875 euro prijzengeld en 116.354 bezoekers.

En nul dopingcontroles.

Want bij de zogeheten ATP 500-toernooien, de categorie na de grandslams en Masters 1000-series, is dopingcontrole niet standaard. „De afgelopen drie jaar hebben we wel controleurs gehad. Maar het initiatief gaat uit van de Nederlandse dopingautoriteit of de ITF [Internationale Tennis Federatie] en die zijn dit jaar niet langs geweest”, zegt een woordvoerder van het toernooi dat zondag gewonnen werd door de Argentijn Juan Martin Del Potro.

Hoe staat het met de dopingbestrijding in de tenniswereld? Sinds de ontmaskering van Lance Armstrong en de schokgolf die het Usada-rapport over de oud-wielrenner teweegbracht hebben ook tennissers zich voorstander getoond van strengere controles in hun sport. Andy Murray klaagde tijdens de US Open vorig jaar dat hij te weinig gecontroleerd werd. Roger Federer zei vorig week in Rotterdam voorstander te zijn van „meer dopingtests en het invoeren van een biologisch paspoort in het tennis”. Ook Rafael Nadal wil wekelijkse controles, zei hij eerder deze maand bij zijn terugkeer na een knieblessure.

Romantici zeiden dat doping geen nut had bij tennissers. „Die stelling is niet meer reëel”, zegt bondsarts Babette Pluim van de KNLTB. „Simpelweg omdat er verschillende positieve gevallen bekend zijn met anabolen en groeihormonen. Het is naïef om te denken dat tennis volledig schoon is, maar ik verwacht niet dat er in tennis een beerput opengetrokken kan worden zoals bij wielrennen. Tennis behoort niet tot de sporten met een hoog risico op doping zoals wielrennen en langlaufen. Dat heeft ook met de cultuur van de sport te maken. Dokters mogen geen injecties op de baan geven en tennissers worden nooit aan het infuus gelegd.”

Tennis is een behendigheidssport, maar wel één die onder vaak slopende omstandigheden gespeeld wordt. Wedstrijden duren soms meer dan drie uur en de sport is de laatste jaren steeds sneller en fysiek veeleisender geworden. De belangen zijn daarnaast groot: een individuele sport waarbij aan de top de prijzengelden hoog en sponsordeals lucratief zijn.

Is er een probleem? De Spaanse dopingarts Eufemiano Fuentes, die deze weken terecht staat in de rechtbank van Madrid, zei vorige maand dat hij naast wielrenners ook tennissers behandeld heeft. Een andere dopingarts uit Spanje, Garcia del Moral, die onder meer bij een prominente tennisacademie in Valencia werkte, kreeg in augustus als gevolg van betrokkenheid bij het dopingschandaal rond Armstrong een levenslange verbanning uit de tennissport. Terwijl de signalen toenemen dat dopinggebruik niet aan tennis voorbijgaat, blijft de controle volgens critici achter.

Pluim deelt die kritiek ten dele. „Er wordt vooral op urine gecontroleerd en minder op bloed, dat klopt. Maar dat wil niet zeggen dat epo [middel dat productie van rode bloedlichaampjes aanjaagt] niet opgespoord wordt, want dat kan ook via tests op urine. Epo heeft vooral effect voor sporters die grote inspanningen moeten verrichten. Bij tennissers is de maximale zuurstofopname 55 tot 60 procent. Bij wielrenners is dat soms 90 tot 100 procent. Dat is een groot verschil. Tennissers die anderhalf uur op de baan staan hebben weinig tot niets aan epo.”

In hoeveelheid controles staat tennis op de zeventiende plaats van de 28 olympische sporten, zo blijkt uit de meest recente cijfers (2011) die Wereldantidopingautoriteit Wada heeft gepubliceerd. Van 3.161 tests bij tennissers was maar een half procent verdacht, waarin ook gevallen meegeteld zijn waarbij vrijstelling gold om medische redenen of meerdere verdachte monsters van dezelfde sporter. Maar de kritiek geldt vooral zogeheten out-of-competition bloedtests. Die zijn schaars: in 2011 slechts 21 in het mannentennis tegenover bijvoorbeeld 3.314 in het wielrennen.

De out-of-competition periode in tennis is wegens het sportieve verloop van toernooien grillig. Spelers hebben bijna elke week wel een toernooi, maar ze zijn out-of-competition vanaf de dag ná de laatste wedstrijd die een speler in een toernooi heeft gespeeld tot de dag voordat de eerste wedstrijd van het volgende toernooi begint. „Hiervan is één dag waarschijnlijk een reisdag. Het is voor de autoriteiten dus wel lastig om out-of-competition te testen, maar niet onmogelijk en dat is waarom het whereabouts-systeem ook in tennis is opgezet”, zegt Pluim.

Het opstellen van bloedwaardenpaspoorten in tennis, waarin schommelingen direct op zouden vallen, stuit vooral op praktische bezwaren. Federer stelde vorige week voor dat de opbrengst van grandslamtoernooien voor een deel naar intensievere dopingbestrijding gaat, zodat bijvoorbeeld een bloedpaspoort mogelijk wordt.

„Het is belastend voor de spelers en het kost veel geld maar dat is overkomelijk”, zegt Pluim. „Wel is het zo dat uitdroging en intercontinentale reizen invloed hebben op je vochthuishouding en je bloedwaarden, zodat spelers tenminste twee uur gerust moeten hebben voordat bloed wordt afgenomen. Ze kunnen dus niet gelijk na een wedstrijd of gelijk na aankomst na een vliegreis getest worden.”