Kennis helpt de mens geen moer

In zijn nieuwe boek verzet John Gray zich tegen het idee dat we de wereld kunnen verbeteren – zij die het probeerden krijgen een trap na. Want wat we aan beschaving winnen, gaat in crises verloren.

Het is allerminst een wonder dat de Britse filosoof John Gray al jaren zo populair is. Hij is een graag geziene gast in Nederland en zijn boeken over de utopische elementen in de hedendaagse geopolitiek (Al Qaeda and What it Means to be Modern), westers neoliberalisme en mondialisering (Black Mass, False Dawn) vonden gretig aftrek. Nu voegt hij daar het op het individu en het gebrek aan daadwerkelijk individualisme gerichte The Silence of Animals aan toe.

Zijn grote doorbraak kwam elf jaar geleden met Straw Dogs, een compact filosofisch winterboek dat als een hardhandig memento mori bij elk menselijk streven mag gelden. De boodschap was: mensen zijn fragiel als strodieren, alles wat we bedenken is een illusie, al wat we creëren is provisorisch en zal ook weer verdwijnen. Hoed u voor grote, wereldverbeterende projecten, zij zullen doorgaans fataal uitpakken.

Op een ondergrond van calvinisme gaat zo’n boodschap er goed in. Maar nu we leven in een tijdperk van financiële desillusies, en er wekelijks een daadkrachtige topman in de artsenij, de wetenschap, het openbaar bestuur of de sport wordt ontmaskerd als een hebberige bedrieger, is de voedingsbodem voor het scepticisme van Gray extra vruchtbaar. De aantrekkingskracht van zijn werk schuilt daarnaast ook in zijn stijl, die helder is, toegankelijk en regelmatig geestig – haaks op de pessimistische inhoud. Zijn boeken zijn nooit alleen maar zwartgallig, maar geven eerder blijk van een soort montere misantropie.

De filosoof komt nu met een boek dat omschreven wordt als ‘de opvolger van Straw Dogs’. Het is er eerder de pendant van: het keert zich niet naar buiten, naar maatschappelijke projecten en utopische heilsverwachtingen, maar naar binnen, naar het individu. Als alle aannames waarop we onze levens stutten mythes zijn en we gedoemd zijn tot desillusie, wat voor levenshouding komt dan wel van pas?

De diepste, meest onbewuste maatschappelijke mythe is volgens Gray de vooruitgangsgedachte, die hij losjes ontrafelt als een combinatie van een seculiere heilsverwachting en een Socratisch rationalisme – als we onszelf en de wereld begrijpen, doen we automatisch het goede. Net als in het nog altijd haarscherpe hoofdstuk ‘Non-Progress’ uit Straw Dogs, constateert Gray dat technologische vooruitgang mogelijk is, maar dat lineaire morele vooruitgang of verheffing een illusie is. ‘Áls er iets uniek is aan het menselijk dier, dan is het dat het de mogelijkheid heeft zijn kennis steeds sneller uit te breiden terwijl het chronisch onmachtig is om van ervaring te leren,’ is een van de vele vermakelijke aforismen in The Silence of Animals. Al wat de mensheid aan beschaving wint, gaat weer verloren op het moment dat oorlog of economische Verelendung de bestaande orde in gevaar brengt. Zie Griekenland, waar extreem rechts snel opkomt en waar stedelingen naar het platteland vluchten, ‘in een omkering van economische ontwikkeling’. Het is ondertussen een illusie, te denken dat politiek handelen de loop der dingen kan keren. ‘Rijkdom kan gecreëerd worden in verschillende economische systemen, maar nooit voor lang. Het menselijk dier eet wat het heeft geproduceerd en trekt dan verder.’

Denkvrienden

Verder dan zulke losse observaties gaat Gray niet in dit boek, dat eerder een catalogus is van zijn denkvrienden dan een filosofisch betoog. Hij geeft lange citaten uit werk van de meest uiteenlopende, soms vergeten schrijvers, dichters en denkers en sluit die af met een kort commentaar of een apodictische paukeslag.

Gray voelt zich verwant met ‘intellectuele avonturiers’ als Montaigne, de Duitse filosoof Fritz Mauthner en Sigmund Freud, denkers die erkenden dat naast de ratio nog andere krachten de mens regeerden. Hij besteedt vooral veel ruimte aan Freud, die de ‘eeuwige onrust‘ van de menselijke conditie niet probeerde tegen te gaan, maar juist als uitgangspunt nam. Freud onderzocht ‘wat het zou betekenen zonder troost te leven’. Hij stelt de vraag, aldus Gray, hoe moderne mensen kunnen leven zonder moderne mythes.

Dat kunnen ze niet, erkent Gray, het gaat er alleen om dat je je ervan bewust bent dat de supreme fictions die je najaagt, ficties zijn. Bij een dergelijk ongelovig geloof beland je als vanzelf weer op het terrein van de religie , juist daar waar het lineaire, utopische mensbeeld van het christendom was begonnen. Maar, betoogt Gray, het gaat om de juiste soort spiritualiteit, te weten de ‘verder-reikende scepsis’ die Gray aanbeveelt als werkzaam tegen al te veel dadendrang. Wie zich onderdompelt in de natuur en in poëzie, in de wereld achter het gordijn van taal – in ‘godloze contemplatie’ zoals hij het noemt – die ziet de wereld in al haar oneindige mogelijkheden, in plaats van door een beperkend en schadelijk denkraam.

Of dit verlichte nihilisme de persoonlijkheid van Gray overstijgt, en hoe zijn cyclische denken zich verhoudt tot pre-moderne godsdiensten en culturen – het blijft onduidelijk. Ook erkenning van zinloosheid kan uiteindelijk als een vorm van zingeving gezien worden.

Het hangt sterk van het scepticisme van de lezer af in hoeverre hij meegaat met dit pleidooi voor dromerig uit het raam staren van de voormalige polemische scepticus John Gray. Niemand zal ontkennen dat een gezonde dosis relativering en afstand nemen een goede zaak zijn ter bestrijding van blinde dadendrang, maar niet iedereen heeft daar zoveel woorden voor nodig als deze auteur.

Een bezwaar is dat Gray het niet kan laten contemplerende ‘intellectuele avonturiers’ zoals hijzelf af te zetten tegen imaginaire vijanden. Dat zijn ‘de moderne humanisten’ die denken dat ‘kennis het kwaad de wereld uit zal helpen, dat een goed leven een overdacht leven is en dat de mens met behulp van de ratio zijn eigen lot kan bepalen’. Het humanistisch wereldbeeld is volgens hem zelfs idioter dan andere aberraties: ‘Excursies in mystiek en parapsychologie zijn afgedaan als fantasieën maar ze zijn niet zo fantastisch als het idee dat de mensheid langzaam op weg is naar een hoger beschavingsniveau.’ Met deze al te geforceerde scheidslijn verloochent Gray de door hem bewonderde Freud. Beide houdingen en beide zielen schuilen immers in de borst van ieder mens, de impulsieve neigingen van de wereld een betere plek te maken en een ander te redden uit zijn lijden zo goed als de neiging de loop der dingen niet tegen te houden. Het wordt pas zorgelijk als één van beiden de overhand krijgt. Gray zelf is overigens de eerste om toe te geven dat ‘cognitieve dissonantie’ de normale menselijke conditie is: ‘het menselijk dier is altijd in strijd is met zichzelf’.

Vulgus

Ook stoort het dat met Grays onthechting ook zijn exceptionalisme toeneemt, soms op een ijdele (een rijtje ‘intellectuele avonturiers’ noemen dat de positie innam die jij ook net hebt betrokken), soms op een onaangename manier. Vrijheid is een groot goed, maar een heleboel mensen willen die niet, schrijft hij. Het liberale ideaal van de vrije keuze is volgens Gray aan het vulgus bijvoorbeeld niet besteed, omdat mensen toch alleen maar willen zijn zoals de anderen. ‘De charme van een liberale levenswijze is dat het de meeste mensen in staat stelt hun vrijheid onbewust te verloochenen.’ Of kijk naar hoe in de Arabische wereld bloedvergieten en factiestrijd volgen op het verjagen van tirannie. ‘Om mensen te zien als vrijheidslievend, moet je bereid zijn de hele geschiedenis van de mensheid als een fout te beschouwen,’ schrijft hij in deze context.

Een trap na voor alle gewone mensen die met hun leven betaalden omdat zij oprecht verandering wensten. Dat Gray dat streven per definitie als een illusie ziet, toont aan dat zijn eerst verhelderende scepsis hard op weg is een tunnelvisie te worden.