De koningin van Calgary

Deze maand 25 jaar geleden voltrok zich zo’n typisch sportmirakel: Yvonne van Gennip won drie keer goud op de Winterspelen in Calgary. Ze onderging een voetoperatie, trainde minder. En weerstond de ‘onverslaanbare’ schaatsmachine uit de DDR.

Achteraf was al die rampspoed toch ergens goed voor geweest. Achteraf veranderde haar sensationele goldrush, die begon op 23 februari 1988, zelfs de kijk op topsport – en markeerde de cruciale rol die rust daarbij speelt.

Maar daar had Yvonne van Gennip geen weet van toen ze krap twee maanden daarvoor in het ziekenhuis lag voor een operatie aan een voetblessure. In de zomer voor ‘Calgary’ had ze haar pols gebroken. En met al die verloren schaatsuren moest ze de concurrentie aangaan met de machtige schaatsmachine van de DDR, een hele horde schaatssters die haar al jaren het leven zuur maakten.

Het waren toch al donkere dagen voor het Nederlandse schaatsen. Vier jaar eerder, in 1984, was de nationale ploeg zonder ook maar één medaille teruggekeerd uit Sarajevo – het slechtste resultaat sinds 1948.

En toch groeide de 23-jarige Van Gennip uit tot de koningin van Calgary. Die knipoog naar de camera, nadat ze Karin Kania en Andrea Ehrig eindelijk had verslagen. „Dit is een historisch moment in de hardrijderij voor de vrouwen, dat je in de jaren tachtig nog eens de Oost-Duitsen gaat verslaan”, jubelde Mart Smeets in de Nederlandse huiskamers. En nog eens, op de 1.500 meter. En een dag later nóg eens, op de vijf kilometer. Dat spandoek, met ‘Van Gennip-DDR 3-0’. Die ontwapenende lach, die muts met de tekst ‘Goud hè’, een variatie op destijds populaire kreet ‘Koud hè’ uit een programma van Henk Spaan en Harry Vermeegen. Dat carnaval op de Grote Markt in Haarlem, een week later, waar vele duizenden fans bijeen kwamen om het Mirakel van Calgary te vieren.

En niemand die het had zien aankomen. Oost-Duitsland was aan het einde van de Koude Oorlog superieur in tal van sporten – naar later zou blijken mede dankzij een door de staat gesteund dopingprogramma. „We keken met stomme verbazing naar hun trainingen”, zegt Tjaart Kloosterboer, destijds trainer van Van Gennip. Urenlang stond hij langs de baan om in kaart te brengen wat de Oost-Duitse vrouwen onder leiding van hun coach, Rainer Mund, aan werk verzetten. Drie, vier trainingen per dag. „Zelfs voor een wedstrijd, of na afloop van een race reden ze nog even tien of twaalf rondjes met z’n allen”, zegt Huub Snoep, jeugdtrainer en biograaf van Van Gennip.

Kloosterboer voerde de trainingsarbeid van Van Gennip en de andere Nederlandse vrouwen op, van één keer naar drie keer per dag, zeven dagen per week. „Ik liet ze ook wel eens honderd ronden schaatsen. Maar dan moesten wij drie, vier dagen herstellen. De Oost-Duitse vrouwen waren de volgende dag weer hersteld. Wij gebruikten die middelen niet, dus wij gingen heel vaak over de streep en raakten overtraind.”

Van Gennip werd er gek van, maar verder dan zilver kwam ze niet. Snoep weet hoe het aan haar vrat. „Yvonne riep weleens: moet ik niet eens een zomer met hen mee trainen, om te zien wat ze allemaal doen.”

De ommekeer kwam in de aanloop naar de Spelen van 1988, maar presenteerde zich aan het kamp-Van Gennip als een boze droom. Een noodzakelijke operatie aan haar voet, twee maanden voor ‘Calgary’, dwong de schaatsster haar trainingsuren drastisch terug te schroeven. „Daarvoor trainde Yvonne vaak zó hard en zo lang dat ze tot in haar oorlellen verzuurde”, zegt Kloosterboer. „We gingen veel korter trainen, maar wel intensiever. Geen trainingen meer van ruim anderhalf uur, we stonden nog maar drie kwartier op het ijs. Daardoor ging ze veel uitgeruster naar de Spelen. En op het glij-ijs van Calgary kwam haar techniek daardoor optimaal tot zijn recht.”

Oud-jeugdtrainer Snoep zag nog een ander effect bij zijn voormalige pupil. Door haar ‘gebrekkige’ voorbereiding ging ze zonder enige verwachting, totaal ontspannen naar de Spelen. „Yvonne had niets te verliezen. Voor een echte topsporter was ze eigenlijk te lief, mentaal was ze niet sterk, vaak nerveus of ziek. Nu werd er niks van haar verwacht. Dan was ze op haar sterkst.”

Voor de Oost-Duitse vrouwen gold het omgekeerde, zo bleek op de drie kilometer in Calgary. De twee topfavorieten, Ehrig en Kania, reden elkaar in een rechtstreeks duel volkomen in de vernieling. „Wij dachten: wie deze rit wint, wint olympisch goud”, zou Ehrig jaren later erkennen. Ze gingen daardoor zo hard van start dat ze na drie ronden al zes seconden onder het wereldrecord reden. Kania ging zo diep dat ze in haar laatste ronde als een dronken schaatsster over het ijs zwabberde. Van Gennip sloeg daarna genadeloos toe met een nieuw wereldrecord, 0,15 seconde onder de tijd van Ehrig.

„Ik denk dat het heel goed is geweest voor me”, zei Van Gennip destijds bij Studio Sport over haar gekwakkel vóór de Spelen.

Haar zegetocht opende Kloosterboer de ogen over de tot dan toe gangbare trainingstheorieën. „Ik heb in die periode ongelooflijk veel meer geleerd over trainingsleer dan in alle andere jaren”, zegt hij nu. „Rust bleek een veel belangrijker factor dan ik me ooit had gerealiseerd. Met de kennis die we nu hebben weten we dat heel veel schaatsers in die jaren overtraind waren. Mede door de inzichten die daar zijn ontstaan trainen we tegenwoordig heel anders.”

Het bleek een uiterst waardevolle les voor de Nederlanders, die zich pas na de val van de Muur, anderhalf jaar na Calgary, realiseerden hoe ze door hun tegenstanders „zand in de ogen” was gestrooid, zoals Kloosterboer het uitdrukt. „We hebben altijd in een oneerlijke concurrentiepositie gezeten door het structurele dopinggebruik bij onze tegenstanders. Met een eerlijke competitie was Yvonne met grote regelmaat Europees en wereldkampioen geweest. De genoegdoening zit in Calgary, maar een hele generatie schaatssters, onder wie Marieke Stam, Ingrid Haringa, Ria Visser en Ingrid Paul, is ondergesneeuwd door dat dopinggebruik.”

Ook de plotselinge opleving van Van Gennip zelf maakte de tongen los. Precies die ene week in haar carrière was ze beter dan de DDR-vrouwen, ervoor en erna kwam ze nooit verder dan zilver. Maar aan doping werd in Nederland niet eens gedacht, bezweert Kloosterboer – zeker niet door Van Gennip. „Als iemand ver afstaat van dopinggebruik, dan is het wel Yvonne. Die wilde nog geen aspirientje als ze pijn in haar kop had.”