Laat de onderwijsinspectie eens iets nuttigs doen

Het onderwijs heeft niets aan bureaucraten van de inspectie, wanneer die met vage checklisten het leven van de leraar zuur maken, vindt Leo Prick.

Onderwijsinstellingen hebben de laatste jaren steeds meer autonomie gekregen. Dat betekent meer ruimte dan in het verleden om gelden naar eigen inzicht te besteden en het onderwijs naar eigen goeddunken in te richten. Om erop toe te zien dat zij de aan hen gedelegeerde taken naar behoren vervullen, hebben we een onderwijsinspectie.

De taakverdeling lijkt mij helder: schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit op de onder hen ressorterende scholen en de inspectie ziet erop toe dat die besturen hun werk naar behoren doen. Zodra zij signalen krijgt dat een school niet naar behoren functioneert, onderzoekt de inspectie wat daar aan de hand is en neemt zonodig maatregelen. Met een deze rolverdeling geef je als overheid vorm aan het principe ‘besturen op afstand’ waartoe ooit werd besloten.

Waren in het verleden de meeste scholen afzonderlijke instellingen met een eigen bestuur van welwillende amateurs, inmiddels opereren ze vrijwel allemaal onder de paraplu van grotere professionele besturen die toezien op de kwaliteit van de onder hen ressorterende scholen. Als zo’n bestuur goed functioneert heb je als inspectie met die scholen weinig te stellen. Deze eigentijdse rolverdeling betekent dus dat daarmee de taak van de inspectie niet alleen een andere, maar ook een veel kleinere is geworden.

Het probleem met overheidsdiensten is dat zij, als ze minder te doen krijgen, er altijd wel in slagen nieuwe taken naar zich toe te trekken. Zo kon het gebeuren dat de inspectie hele lijsten heeft aangelegd aan de hand waarvan leraren moeten worden beoordeeld. Enkele voorbeelden uit het arsenaal aan beoordelingscriteria: er is sprake van functionele interactie (tussen leerlingen onderling, tussen leraar en leerling); de leraar vat de instructie in stappen regelmatig samen; de opbouw van de onderwijsactiviteit is herkenbaar voor leerlingen; de leraar situeert het betreffende schoolvak binnen het gehele onderwijsaanbod; de leraar activeert leerlingen door goed naar hen te luisteren (meer dan enkel controleren of de leerling het juiste antwoord geeft); de leraar toont pedagogisch leiderschap.

Gerard Olthof, rector van een school in Breda, heeft in verschillende media zijn ergernis uitgesproken over deze gedetailleerde bemoeienis met hoe leraren moeten lesgeven. Rick Steur, hoofdinspecteur voortgezet onderwijs, verdedigde daarop in de Volkskrant die werkwijze met de constatering dat „lang niet alle leraren het ingewikkelde leraarsvak volledig in de vingers hebben. Vooral het afstemmen van de les op de verschillen tussen de leerlingen, is een vaardigheid die slechts ruim de helft van de docenten in het voortgezet onderwijs beheerst”. Deze verwijten zijn net zo vaag en nietszeggend als waarop leraren worden beoordeeld en zijn typerend voor de onderwijskundige kletskoek waar leraren al decennialang het leven zuur mee wordt gemaakt.

Ter verbetering van ons onderwijs worden inspecteurs op pad gestuurd om aan de hand van lijstjes met vage, irrelevante, nietszeggende opsommingen leraren te beoordelen. Als de inspectie signalen bereiken dat een school niet goed functioneert zou ze er verstandig aan doen er een door de wol geverfde schoolleider naar toe te sturen in plaats van een bureaucraat met een tas vol checklisten. En laat het teveel aan inspecteurs iets nuttigs doen. Lesgeven bijvoorbeeld.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.