Zo blijf je het beste jongetje van de klas

Robeco was ooit het grootste Europese beleggingsfonds Maar het verloor die positie Gisteren verkocht Rabobank haar dochter voor 1,94 miljard euro aan het Japanse Orix

Redacteur Economie

Het is jammer, maar het is niet anders. Tom Muller, analist bij vermogensbeheerder Theodoor Gilissen is een tikje weemoedig over de gisteren bekendgemaakte verkoop van Robeco aan de Japanse financiële dienstverlener Orix.

„Sic transit gloria mundi”, verzucht hij. Zo vergaat ’s werelds roem. Wat begin jaren tachtig nog het grootste Europese beleggingsfonds was, is nu een van de vele spelers geworden. De belangrijkste reden voor Rabobank om de vermogensbeheerder af te stoten, is volgens Muller dat de 1,94 miljard euro die Orix betaalt voor 90 procent van de aandelen de kapitaalbuffers van Rabobank versterkt.

„Robeco is een van hun grootste onderdelen en heeft niet meer de aantrekkingskracht die het vroeger had”, zegt Muller. „Ze zijn hun toppositie kwijtgeraakt, onder andere doordat ze bleven inzetten op wereldwijd beleggen. Andere spelers zijn zich gaan specialiseren in bijvoorbeeld Amerika of Japan, of een bepaalde sector. Dat is hoe het tegenwoordig gaat.”

Open architectuur

Verder heeft Robeco (beheerd vermogen 189 miljard euro) te lijden gehad van de zogeheten open architectuur in de bankenwereld: vroeger stuurde Rabobank klanten die wilden beleggen naar Robeco, maar tegenwoordig moeten banken alle beleggingsfondsen die op de markt zijn aanbieden. Er was te weinig wat Robeco nog onderscheidde. „Door het einde aan de gedwongen winkelnering hebben klanten nu acht of negen andere keuzes voordat ze naar jou kijken”, legt Muller uit.

Volgens een woordvoerder van Rabobank is dit laatste de belangrijkste reden om Robeco van de hand te doen. „Robeco is nu nog maar een klein aandeel van het totale pakket aan fondsen dat we aanbieden. De rationale om een aparte vermogensbeheerder aan te houden, is er niet echt meer.”

De Rabo-woordvoerder bestrijdt dat het versterken van de kapitaalbuffers, zoals opgelegd volgens de bankentoezichtregels van Basel III, het voornaamste argument is. „Als er één bank is met goede buffers, dan zijn wij het. Wij voldoen nu al aan Basel III. Maar sterkere buffers zijn natuurlijk altijd meegenomen.”

Jan Willem Weidema, analist voor de financiële sector bij ABN Amro, denkt ook dat de verkoop van Robeco in dat opzicht „geen must” was. Maar hij vermoedt wel dat balansversterking een belangrijk motief was. „Rabobank wil het beste jongetje van de klas blijven en haar gekoesterde kredietstatus beschermen.”

Matthias de Wit, analist financiële aandelen bij vermogensbeheerder Petercam, denkt dat vermogenstakken momenteel tot de weinige verkoopbare activa behoren. „Ze vereisen weinig kapitaal en ze zijn minder volatiel dan andere onderdelen, zoals zakenbanken. Het is een veilige aankoop.”

Robeco is vrij makkelijk los te maken van Rabobank. Sinds het samengaan in 1996 is Robeco altijd tamelijk zelfstandig gebleven. Minder dan 10 procent van het beheerd vermogen is afkomstig van Rabobank.

Beloningen

Ook speelt er onenigheid over de beloning van Robeco-personeel in het buitenland. Volgens een ingewijde is dit zelfs de belangrijkste reden voor de verkoop. Rabobank wil de rem zetten op de hoge beloning van personeel in de veertien andere landen in Europa, Noord-Amerika en Azië waar Robeco vestigingen heeft.

De woordvoerder van Rabobank wil hier niet op ingaan. Wel zegt hij dat het afstoten van de vermogensbeheerder past in de trend van de versobering van de bankensector. „Het past bij het profiel van de bank en bij de beweging dat nuts- en zakenbanken gescheiden worden.”

George Möller, oud-bestuursvoorzitter van Robeco, is opgelucht over de overname door het Japanse Orix. Investeringsmaatschappijen en Amerikaanse partijen waren volgens ingewijden aanvankelijk ook in de race. „Bij investeringsmaatschappijen zou Robeco uit elkaar worden getrokken. Dat weet je.”

En bij een Amerikaanse koper zou volgens Möller het huidige voordeel van het niet-Amerikaans zijn wegvallen. Dat is nu een concurrentievoordeel in bijvoorbeeld het Midden-Oosten, waar zakendoen met Amerikaanse partijen gevoelig kan liggen.