Leef jij nog?

Rascha Peper gaat ondanks haar ongeneeslijke ziekte door met leven; haar ‘onverwacht verlof’ zorgt voor ongemakkelijke momenten en binnenpretjes.

‘Wij zijn maar doden met verlof, m’n liefste”, zong cabaretier Maarten van Roozendaal toen hij nog niet wist hoe letterlijk hij dat binnenkort zou moeten nemen, „we zijn doden met verlof”. Ik voel natuurlijk mee met mijn lotgenoot en wens hem toe dat het verlof dat hij nog tegoed heeft zo zinvol en aangenaam mogelijk zal zijn. Het mijne duurt nu al haast een halfjaar, langer dan ikzelf en mijn omgeving aanvankelijk hadden kunnen denken. Een me in de schoot geworpen opleving die ik probeer zo vruchtbaar mogelijk te besteden. Het is wel een verlof dat zich in en om het bed afspeelt en waarin het grootste drama zich beperkt tot het leeglopen van een warmwaterkruik op het matras, de grootste vrees dat het machientje waarmee het bed in verschillende standen kan worden geplaatst het zal begeven juist op het moment dat ik het in zitstand heb gezet – en er pas drie dagen later een monteur kan komen, zodat ik al die tijd niet kan liggen – en de grootste ergernis zich bepaalt tot een kat die het slaapkamerraam uit wil als ik eens alleen thuis ben en vervolgens, nadat ik me moeizaam heb verheven en het raam heb geopend, bij nader inzien toch maar niet gaat, maar toch: een geschenk.

En zo’n onverwacht verlof biedt ook aspecten waardoor ik heimelijk moet lachen. Veel verre vrienden of kennissen weten niet goed wat ze ermee aanmoeten en voelen zich ongemakkelijk bij zo’n Heintje Davids-afscheid.

De telefoon gaat en ik neem op.

„O eh…”, zegt iemand die ik niet direct herken, „ja, ik had gedacht dat ik je man aan de lijn zou krijgen, ik wilde eens vragen…”

Ik krijg dan de neiging te antwoorden: wacht, ik ren even de trap af om te kijken of hij er is.

„Excuseert u me als dit adres niet meer in gebruik mocht zijn”, mailt een ander, „in dat geval vervalt de vraag uiteraard, maar als dat nog wel zo is, zou ik graag willen weten…”

„Verrek, ik hoor of lees maar niets”, bericht een type met het hart op de tong, „dus ik denk: heb ik nou wat gemist of leef je gewoon nog?”

Een gekke positie waarin je opeens verzeild raakt: in de verdediging moeten dat je nog leeft. Pirandello, Raymond Carver of Alice Munro zouden er een prachtig verhaal over hebben kunnen schrijven. Vol valse en echte schaamte, gehuichel en weemoed.

Maar het brengt mij, behalve tot veelsoortige contemplatie, ook tot gniffelen.