Hij sleept zich naar de uitgang

Wekelijks doet Japke-d. Bouma verslag van haar ontmoetingen met allerlei typen collega’s Deze week: de Collega Die Er Al Te Lang Werkt En Op Zijn Pensioen Zit Te Wachten Hij is er wel, maar werkt niet

Op papier bezet hij een volle arbeidsplaats. En telt hij mee, net als alle andere collega’s. Maar in de praktijk is hij meestal aan het bellen over zijn zorgverzekering, over de APK van zijn auto of zit hij boven een oude krant uit te sterven. Hij ziet er in ieder geval uit of hij elk moment in slaap kan vallen en helaas gebeurt dat ook wel eens.

Het verstandigste is om niets aan hem over te laten.

Dit is de Collega Die Er Al Te Lang Werkt En Op Zijn Pensioen Zit Te Wachten. Mastodont, dinosaurus, doorn in het oog. Is er wel, maar werkt niet meer. Kan helaas niet meer serieus genomen worden.

Doet dat zélf overigens wel.

Belt ’s ochtends af als er regen dreigt. Want anders weet hij niet of hij nog thuis kan komen. Is vaak vrij of ziek of anderszins niet beschikbaar. Praat veel over vroeger. Dat het allemaal heel anders was toen, lastiger, moeilijker, maar vooral beter. Dat het niet te vergelijken is met nu.

Dat je toen nog écht iets moest kunnen.

Het werk laat hij het liefst aan jou over. Jij bent zo snel, en kan dingen zo goed vinden, op internet enzo. Hij kijkt er dan straks nog wel even naar, als jij er klaar mee bent. Vervolgens zegt hij tegen de chef dat híj het gedaan heeft. En maar klagen over anderen.

Toch blijf je het doen, zijn werk. Omdat als je dat niet doet, er écht dingen fout gaan. Niemand zegt in zijn gezicht dat hij het niet meer kan. Sterker nog, zijn leeftijdgenoten geven hoog over hem op. Zij hebben niet door hoe diep hij inmiddels gezakt is.

Maar de jonge collega’s pikken het niet. Ze vragen waarom hij er nog werkt, en grappen of zijn pc niet offline kan worden gezet, omdat ze steeds zijn werk moeten overdoen.

Ze vinden het oneerlijk. Dat hij een vorstelijk salaris verdient, terwijl buiten tientallen van hun jonge, capabele, ambitieuze vrienden aan de poort staan te rammelen. Die zijn werkloos. Hij houdt hun plek bezet. Maar dat hardop zeggen, durven ze niet.

Een antwoord heb je niet.

Want natuurlijk zie je het, hoe hij zich naar de uitgang sleept. Negen jaar moet hij nog, godbetert. Je krijgt het al benauwd als je eraan denkt.

Maar aan de andere kant vind je het ook wel wat makkelijk allemaal. Alsof die jonge honden allemaal zo geweldig zijn. Laat die eerst maar eens de helft proberen te bereiken van wat hij heeft betekend. Bovendien: het is toch ook zíelig allemaal, hoe iedereen hem negeert? En weten ze wel hoe duur het is, om hem te ontslaan?

En dus blijft hij.