Het nieuws

Het boek De nieuwsfabriek van Rob Wijnberg, ex-hoofdredacteur van nrc.next, bezorgt me tegenstrijdige gevoelens. Vaak ben ik het met hem eens, maar het lukt me maar niet om in te stemmen met de kern van zijn boodschap.

In De nieuwsfabriek wil Wijnberg de ware aard van de moderne nieuwsvoorziening blootleggen en laten zien hoe nieuws en media ons wereldbeeld vervormen.

Om nu eens met het positieve – Wijnberg vindt de journalistiek te weinig positief – te beginnen: hij overtuigt vooral daar waar hij probeert aan te tonen hoe die nieuwsvoorziening soms uit de hand loopt.

Hij noemt het elkaar napraten („het papegaaiencircuit”) van de media, de veilige agendajournalistiek, het streven naar winstmaximalisatie door de eigenaren en de daarmee gepaard gaande commercialisering en opmars van het infotainment (het Sylvie van der Vaart-syndroom, als ik het zo mag noemen), de eindeloze herhaling van dezelfde elementen (vooral op tv), de schijnobjectiviteit (het volstaan met het naast elkaar plaatsen van twee meningen waarna de lezer het zelf mag uitzoeken).

Over al die ontwikkelingen maakt Wijnberg behartigenswaardige opmerkingen die de mediawereld zich mag aantrekken. Het is niet altijd nieuw wat hij betoogt, maar hij legt een dwingend, onloochenbaar verband tussen een aantal verschijnselen. Iedereen die zijn ogen de kost geeft en dagelijks kranten leest en tv kijkt, kan begrijpen wat hij bedoelt.

Waar ik hem niet in kan volgen, is zijn afkeer van nieuws als zodanig. Hij schrijft weliswaar in het begin dat zijn boek geen manifest is tégen nieuws en dat hij het niet wil afschaffen, maar wat volgt is één lange jammerklacht, niet alleen over de nieuwsvoorziening, maar over het nieuws zelf. Nieuws wordt bij hem een soort besmettelijke ziekte waarvoor we allemaal in quarantaine zouden moeten.

Nieuws is voor hem vooral triviaal, oppervlakkig, luchtig, giftige kennis zelfs, het gaat altijd over incidenten, uitzonderingen en fouten en geeft een volkomen vertekend beeld van de wereld: „Nieuws heeft fundamentele tekortkomingen waar slechts weinigen zich bewust van zijn.”

Wijnberg heeft de gewoonte om het nieuws te verwarren met de behandeling ervan door de media. Al het nieuws wordt bij hem een ‘minihype’. Hij geeft daarvan een aantal voorbeelden: de uitzetting van asielzoeker Mauro, de royering van advocaat Moszkowicz, de uitspattingen van kickbokser Badr Hari, de relatiebreuken van Jan Smit en Rafael van der Vaart, de arrestatie van de moordenaar van Marianne Vaatstra, het aanspoelen van bultrug Johanna, het skiongeluk van prins Friso. „Stuk voor stuk relatief kleine, soms zelfs ronduit triviale gebeurtenissen, en de aandacht ervoor staat in geen verhouding tot het belang ervan”, schrijft hij.

Met de helft van zijn voorbeelden ben ik het niet eens. Mauro, Moszkowicz, Vaatstra en Friso zijn wel degelijk maatschappelijk relevante onderwerpen. Zulke onderwerpen zullen altijd en overal grote aandacht krijgen. Ze houden veel mensen lange tijd bezig, ze willen er niet alleen het nieuws over lezen, maar ook de achtergronden. Staat het geval van Mauro op zichzelf, is een beroepsverbod voor ’s lands bekendste advocaat wel toelaatbaar in onze rechtsstaat, hoe ver moeten we gaan bij het opsporen van een moordenaar, en waarom zouden we ons niet mogen inleven in het drama van prins Friso?

Niet het nieuws is de schuldige, maar (soms) de boodschapper.