De ministeriële verantwoordelijkheid

Kort geleden was er een debat in de Tweede Kamer met de bewindslieden op, wat vroeger heette, ‘Verkeer en Waterstaat’. Ambtenaren op dat departement hadden een rapport over ProRail niet naar de Kamer gestuurd, terwijl minister Schultz van Haegen hen dat had opgedragen.

Het kabinet-Rutte I was toen nog aan het bewind. In het dossier voor de nieuwe staatssecretaris was dit punt niet opgenomen. De nieuwe staatssecretaris wist dus van niets.

Dat ter inleiding. Deze column gaat over de ministeriële verantwoordelijkheid. Kort gezegd houdt die in dat voor alles wat de ambtenaren doen of laten, de minister verantwoordelijk is.

Natuurlijk kan een bewindspersoon (gruwelijk woord) nooit alles weten over wat de ambtenaren laten of doen.

Maar heb je zo’n regeling niet, dan is niemand (politiek) aansprakelijk voor datgene wat gebeurt. Essentieel is dat de ambtenaren loyaal aan hun minister zijn. Als een bewindsman een beslissing wil nemen die zijn ambtenaren onverstandig vinden, dan moeten zij hem daar tevoren intern op wijzen.

Als de minister toch zijn besluit doorzet, dan dienen de ambtenaren dat loyaal uit te voeren. Als blijkt dat zo’n besluit in de volksvertegenwoordiging slecht valt, moet de minister zich daar verdedigen. Als hem daarbij blijkt dat hij door zijn ambtenaren niet, onvolledig, of verkeerd is geïnformeerd, dan hoort hij z’n tanden op elkaar te zetten. Na het debat kan hij daarna binnenskamers de wind van voren, of erger, geven.

Ik laat nog terzijde dat de minister tijdens het debat de Kamer zijn excuses kan aanbieden. Dat gebeurt nu wel heel vaak. Makkelijk zat.

Zelf heb ik dat als minister nooit gedaan. Wat schiet de Kamer daarmee op? Wat schiet je er zelf mee op?

Ik heb nooit als minister meegemaakt dat mijn ambtenaren tegenover mij deloyaal waren. Ik gaf hen mijn volledige vertrouwen. Wel heb ik eens gezegd: „Ik geef je alle vertrouwen, als je dat beschaamt, geef ik je op je duvel of vlieg je eruit”. Die quasi dreigende toon werd met plezier geconsumeerd.

Terug naar het debat tussen de bewindslieden op ‘Infrastructuur’ en de Tweede Kamer.

Hoe langer dat duurde, hoe meer ging de staatssecretaris in op welke fouten haar ambtenaren hadden gemaakt. Ze dreigde ook met – las ik ergens – ‘rechtspositionele en disciplinaire maatregelen’. Onervarenheid of bangheid? De Tweede Kamer, tegenwoordig altijd belust op een rel, gaat straks wellicht vragen: „Tegen wie zijn die maatregelen genomen? Graag met naam en toenaam, Excellentie”.

Terecht heeft professor Bekker, oud secretaris-generaal en nu hoogleraar arbeidsverhoudingen, de staf gebroken over het optreden van de politieke top op het departement. Hij voegde eraan toe: kunnen Kamerleden straks, als ze de staatssecretaris weer op de mat roepen, ook nog per motie uitspreken dat de straffen zwaarder moeten zijn?

Het optreden van de staatssecretaris holde de ministeriële verantwoordelijkheid uit. Het was ook niet dapper en slecht voor de verhoudingen op het departement.

Gekke vraag misschien. Wat doen de bewindslieden en de Tweede Kamer eigenlijk met de inhoud van dat kritische rapport over ProRail?

Hans Wiegel is oud-leider van de VVD. Deze wisselcolumn op woensdag verzorgt hij beurtelings met SP-voorzitter Jan Marijnissen.