3D-printers: de knutselaars creëren een eigen industrie

Fans van de 3D-printer voorspellen een nieuwe industriële revolutie, waarin iedereen zijn eigen hardware kan ‘printen’. De prille markt voor makers groeit, ook in Nederland.

De Ultimaker, een 3D-printer volgens Nederlands ontwerp, wordt gemaakt in Geldermalsen. Er zijn er ruim drieduizend van verkocht.
De Ultimaker, een 3D-printer volgens Nederlands ontwerp, wordt gemaakt in Geldermalsen. Er zijn er ruim drieduizend van verkocht. Foto Merlin Daleman

Als zelfs de Amerikaanse president in zijn State of the Union melding maakt van de beloftevolle toekomst van de 3D-printer, dan is er echt iets aan de hand. Afgelopen week vroeg president Obama het Congres om een miljard dollar te investeren in onderzoek naar 3D-printers om de Amerikaanse industrie te stimuleren en zo meer banen te creëren. Gejuich in de 3D-gemeenschap: eindelijk waardering voor jarenlange noeste arbeid.

3D-printers zijn al een tijdje op de markt. Het zijn machines waarmee hobbyisten kleine kunststof producten kunnen maken op basis van een driedimensionaal ontwerp. In plaats van inkt – zoals met een traditionele printer – spuit de printkop laagjes plastic op elkaar en bouwt zo een tastbaar voorwerp op.

Bits laten zich moeiteloos vertalen in atomen en dat prikkelt de verbeelding van trendwatchers: consumenten worden fabrikanten. We kopen speelgoed straks niet meer in de winkel, maar printen zelf even een strandschepje of action figure.

De jongste generatie 3D-printers is zó nauwkeurig, dat de naden tussen de lagen amper zichtbaar zijn. Zo bouw je als ontwerper snel een prototype en kunnen consumenten zelf op kleine schaal onderdelen ‘printen’.

De bekendste voorbeelden zijn simpele telefoonhoesjes en sieraden, maar met serieuzere voorwerpen wordt geëxperimenteerd. Gereedschap, protheses, huizen, auto’s... Uiteindelijk zou je vliegtuigen kunnen maken met 3D-printers.

We staan aan het begin van een industriële revolutie, predikt Chris Anderson, auteur van Makers. Daarin schetst hij het beeld van een wereld waarin innovatie niet meer wordt opgelegd door een handvol grote technologiebedrijven – Apple, Philips, Samsung – maar vanaf de ‘onderkant’: creatieve geesten die hun ideeën meteen kunnen vertalen in prototypes.

„Als je zelf kleine hoeveelheden producten van hoge kwaliteit kunt maken en ze voor een redelijke prijs verkoopt, verandert dat het economische systeem. Dat is de toekomst van de Amerikaanse industrie”, schrijft Anderson.

In een hoek van de Consumer Electronics Show, de gadgetbeurs die begin dit jaar in Las Vegas plaatsvond, klinkt hardnekkig gezoem. Het geluid komt van de stand van Makerbot, waar een stapel Replicators – zo heet de 3D-printer van het Amerikaanse bedrijf – rollen kunststof in objecten omtovert. Makerbot-oprichter Bre Pettis ziet het als zijn missie om 3D-printers zo makkelijk mogelijk te maken, zodat iedereen ze kan bedienen en „creatief kan zijn”. Vandaar dat Makerbot zichzelf tot de consumentenelektronica rekent, hoewel de 3D-printer van oorsprong uit de hoek van industrieel ontwerpers komt.

Pettis: „We vergelijken onszelf graag met Apple, toen het de eerste gebruiksvriendelijke computers uitbracht. Ondertussen verbeteren we de kwaliteit van de printers. We innoveren zo snel we kunnen, drinken heel veel koffie en werken in het weekend door.”

Er zijn tot nu toe 15.000 Replicators verkocht en volgens Pettis dekt Makerbot zo een kwart van de markt. De Replicator 2 kost 2.200 dollar (1.650 euro) en ziet er gelikt uit: een stalen behuizing met overdadige ledverlichting. „Gave lampjes toch?”, zegt Pettis. „Bij de eerste Replicator zag je amper of die aan of uit stond.”

Makerbot, gevestigd in New York, telt 160 medewerkers en is een van de grotere bedrijven op de 3D-printmarkt. Het kreeg 10 miljoen dollar van investeerders, onder wie Amazon-baas Jeff Bezos.

Makerbot maakt gebruik van dezelfde openbrontechnologie als veel andere printermakers (RepRap, een project van de Britse wetenschapper Andrew Bowyer), maar het bedrijf deelt geen hardwareontwerpen meer. Pettis: „Vroeger deelden we welke producten we in de toekomst gingen maken. Maar mensen stopten meteen met de machine te kopen die we op dat moment maakten.”

Ook in Nederland ontwikkelt de markt voor 3D-printers zich snel. Aan de rand van Geldermalsen zit Ultimaker, een bedrijfje dat in twee jaar uitgroeide naar vijftien medewerkers en al drieduizend 3D-printers verkocht. Siert Wijnia, een van de oprichters: „Ik reken erop dat we er dit jaar opnieuw minstens drieduizend zullen verkopen. Volgende maand huren we extra productieruimte.”

Volgens Wijnia heeft Ultimaker geen investeerders nodig – „we draaien nu al winst en kunnen onze eigen groei financieren” –, maar moet de organisatie wel professioneler worden. „Tot nu toe rennen we als kippen zonder kop heen en weer om aan de vraag te voldoen.” Door meer lokale leveranciers te gebruiken, verwacht hij de logistiek te verbeteren.

De Ultimaker (1.200 euro) was alleen als bouwpakket leverbaar, maar wordt voor 1.700 euro ook kant-en-klaar geleverd. 10 procent van de klanten kiest voor die gemakkelijke optie – een teken dat de 3D-printer het knutselstadium aan het ontgroeien is. Zelfs warenhuis De Bijenkorf verkocht afgelopen najaar een voordelige 3D-printer, de Cube.

Een ander Nederlands bedrijf dat 3D-printers maakt is Leapfrog uit Alphen aan den Rijn. Van het huidige model, de kleine Creator, zijn er afgelopen jaar duizend verkocht. „De meeste klanten van ons zitten in de VS en Zuid-Amerika”, vertelt verkoper Matthew Otto.

De acht medewerkers van Leapfrog werken nu hard aan een grotere 3D-printer, de professionele Xeed. Die gaat 5.400 euro kosten en is afgewerkt met glimmend aluminium. De rollen plastic staan niet langer naast het apparaat, maar zijn keurig weggewerkt in een lade: net als de cartridge van een gewone printer.

Volgens een rapport van accountancyfirma Deloitte wordt er jaarlijks voor 200 miljoen dollar aan 3D-printers verkocht. Traditionele productietechnieken zijn altijd nog efficiënter als er grotere oplages worden gemaakt, net als bij gewone printers. „Wie zelf zijn borden zou printen is in een winkel dertig keer goedkoper uit.”

Ook onderzoeksbureau Gartner is voorzichtig: het duurt nog minstens vijf jaar voordat de 3D-printer een massaproduct is en er in elk winkelcentrum een 3D-copyshop zit.

De opkomst van de 3D-printer werpt een nieuw licht op auteursrecht en patenten. Ontwikkelaars en uitvinders delen ontwerpen en helpen elkaar met het verbeteren van producten. Maar wat gebeurt er als je modellen dupliceert waarop de fabrikant het alleenrecht heeft? De 3D-printer maakt plagiaat eenvoudig.

Siert Wijnia prijst het ‘openbrongedachtegoed’, waarin gebruikers toegang hebben tot software en ontwerpen, mits ze hun verbeteringen delen: „Ons bedrijfsmodel is en blijft open. Het huidige patentensysteem remt de ontwikkeling. Je moet geen geld uitgeven aan rechtszaken en licenties, maar je energie steken in innovatie.”

Uiteindelijk zal de nieuwe industriële revolutie er komen, bezweert Wijnia. Zijn voorspelling lijkt op wat er in de muziekindustrie gebeurde toen liedjes overal te downloaden waren en niet meer afhankelijk waren van een fysieke geluidsdrager.

Wijnia: „Met de 3D-printer kun je productie decentraliseren – dat is wel zo prettig met stijgende energieprijzen en transportkosten. Straks neem je bijvoorbeeld een abonnement op de artikelen van Blokker, die je zelf uitprint. Je haalt een stap uit het logistieke systeem: Blokker kan zijn winkel opheffen.”