Ik speelde een oude man

Schrijver Tommy Wieringa verkende het Nederlandse grensgebied voor een reeks televisieprogramma’s. Zelf werd hij groot in Geesteren, op vijf kilometer van de Duitse grens. „Voor mijn gevoel begon hier de Oekraïense steppe.”

De ruitenwisser blijft telkens vastzitten op de voorruit. Met een hoek van 45 graden. Tommy Wieringa rijdt in zijn oude Mercedes op de A1 richting Almelo. Op weg naar de garage van zijn oude vriend Marinus. Veldhuis Auto’s ligt in Twente, vlak bij Geesteren waar Wieringa is opgegroeid.

Naar aanleiding van De Grens, de zesdelige documentaireserie van de VPRO die zondag begint (zie kader) en waarvoor Wieringa op zoek gaat naar de rand van Nederland, gaat de schrijver nog eens langs bij de boerderij waar hij vanaf zijn elfde met zijn vader woonde. Bovendien heeft de auto een apk-keuring nodig. „Marinus woonde vroeger in een bouwkeet naast de boerderij”, zegt Wieringa. „Toen ik op mijn zeventiende het huis verliet, is hij daar blijven wonen tot mijn vader is verhuisd.”

Vlak naast die schuur, gelegen op nog geen vijf kilometer van de grens met Duitsland, zat Wieringa als jongen vaak in een boom en keek uit op het Nederlandse landschap. Deze plek komt niet voor in de VPRO-serie. Maar het feit dat hij dicht bij de grens opgroeide, heeft wel zijn interesse aangewakkerd voor ‘randgebieden’. „Aan de grens gebeurt van alles dat je liever niet in het zicht wilt hebben”, zegt Wieringa. „Het grootste asielzoekerscentrum van Nederland, bij Ter Apel, ligt niet toevallig aan de grens. Dat geldt ook voor kerncentrales en windmolenparken. En er wordt gesmokkeld en gehandeld. Die mengeling van avontuur en criminaliteit, dat heeft iets.”

Het is warm in de auto. Vlokjes sneeuw dwarrelen door de lucht, de ruitenwisser is inmiddels precies in het midden van de voorruit blijven steken. Bij het passeren van Vriezenveen wijst Wieringa op een rij boerderijen met smetteloze houten topgevelschotten. „De mensen laten hier nep-Saksische paleisjes bouwen. Ook gepensioneerden uit de stad. Als er dan een boer met een trekker voorbijkomt die mest uitrijdt, klagen ze over de stankoverlast.”

Een eindje verderop staat een schuur langs de weg. „Dat is de zooi die ik ken. Zo’n schuur met houten pinnen in de balken, en dan zo’n boerderij met een laag dak en raampjes als schietgaten.”

Twente is het gebied van de ‘kleine boertjes’, zegt Wieringa. „Dit is armoedeland. Ooit stonden hier alleen bomen. Aan het begin van de negentiende eeuw kwamen de keuterboertjes en dagloners. Als ze voor het eind van de dag een stukje hadden gekapt, een hutje hadden opgezet en er kwam rook uit de schoorsteen, mochten ze blijven.”

Verderop staat een bordje met ‘Langeveen. Turvendorp’. De wijk bestaat uit identieke woningen, gebouwd in de jaren vijftig. „Zo’n dorp, dat was mijn eerste beeld van Nederland. Ik kwam uit de ruimte, uit de wildernis van Cunucu op Aruba, ineens werd ik omgeven door deze treurigheid. Ik had het gevoel alsof ik uit de hemel was gevallen.”

Vader Wieringa was onderwijzer op de Antillen. Toen Tommy op zijn negende een gecompliceerde beenbreuk opliep, moest het gezin noodgedwongen terug naar Nederland. De eerste woning die het gezin betrok, bevond zich in een nieuwbouwwijk in Oldenzaal. „Ging ik ineens naar een katholieke jongensschool in Geesteren. Dertig jongetjes in pullovertjes. Bidden, naar de kerk. Zo’n treurige, geknepen vorm van katholicisme.”

Hij slaat met de auto een onverharde zijweg in. Even later stopt hij bij een huis waar een serie Poolse Twingo’s voor de deur staat geparkeerd. Bij de oprit poetst een man met een wit baardje en een gouden ring in het oor een auto schoon. „Dat is Gait”, zegt Wieringa en zwaait. Gait wuift terug. Vlak achter hem, tussen de Twingo’s, staat een knalgele Lamborghini. „Een hobby van Marinus”, zegt Wieringa. „Soms maakt-ie met zo’n auto de blits in het dorp.”

Marinus komt uit de garage. Rommelig grijs haar, een dikke sweater, legerbroek en smeer aan de vingers. Hij begroet zijn oude vriend alsof hij gisteren nog met hem in het café zat. Stilzwijgend bekijkt hij de kaduke ruitenwisser. „Mmm.... Dus hij blijft hangen? Lastig. Daar heb ik niet meteen een vervanging voor. Kom even mee naar binnen.” In een klein keukentje wordt oploskoffie gezet. De woonkamer staat vol tafels en kasten gevuld met potjes, dozen, flessen kruipolie, aanstekers en volle asbakken. Op een leren stoel zit een teddybeer. „De cultuur is hier heel gesloten”, zegt Veldhuis terwijl hij een sigaret opsteekt. „Vooral in Langeveen. Ik kwam uit Holten. Daar was het nog erger. Ik vond het wel makkelijker hier. Maar achter de ellenbogen, dat zijn ze hier wel.”

Wieringa: „Hoe kwam je eigenlijk bij ons op het erf te wonen?”

Veldhuis: „Via je moeder, bij een van die kerstlichtjes-bijeenkomsten. Ik wilde in de buurt wonen van Almelo, bij mijn meisje. Zij zocht een mannetje om de muur te schilderen. Toen was het voor elkaar.”

Wieringa: „Jij hebt in die tijd het hele spirituele circuit doorlopen.”

Veldhuis: „Bij Avatar leerde ik dat het mogelijk is om voor jezelf elk gewenst leven te creëren.”

Wieringa: „Dat was bij de Bhagwan anders. Daar zat je toch ook?”

Veldhuis: „Daar ging het niet om denken. Als je iets bedacht, moest je het juist niet doen. Het was eerder: schreeuw maar, blèr maar.”

Wieringa: „Stond je op het erf te schreeuwen. Was je veel heftiger.”

Marinus: „Bij Avatar deden we gevoelsoefeningen. Moest je je inleven hoe het is om arm te zijn, of vrijgezel. Ze zeiden: kijk naar die boom. Voel hoe het is om die boom te zijn.”

Wieringa: „Dat heb ik nooit goed begrepen. Maar wat je er nu mee doet, dat zie ik graag. Jouw kennis pas je nu toe op je kopers. Jij weet iemand een Twingo te verkopen.”

Marinus: „Dat weet ik niet. Hoe minder je je verplaatst in de tegenstander, des te beter kun je voetballen.”

Wieringa: „Mensen zijn bang, ze willen er niet tussen worden genomen als ze iets kopen. Als je die angst neutraliseert, dan kom je een heel eind. Dat is wat jij kan.”

De koffie is op. Tijd om naar de sloperij in Westerhaar te rijden. Wellicht bevindt zich tussen de autowrakken nog wel een oude Mercedes. Met een bruikbare ruitenwisser. Bij aankomst blijkt dit niet het geval. Dan maar weer terug naar de garage. Terwijl Veldhuis daar de ruitenwisser ontleedt, stapt Wieringa in een Twingo om naar zijn ouderlijk huis te rijden. Bij de kruising Ossendijk en Langeveenseweg parkeert hij de auto. Ook op de plek van de oude boerderij is een Saksisch paleisje verrezen. „Ik kan er bijna niet naar kijken”, zegt Wieringa. „Toen ik tien was, gingen we hier wonen. Een jaar later gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn moeder ging met mijn zusters naar Drenthe. Ik bleef bij mijn vader.”

Hij wandelt langs de beek met roestbruin water en stopt bij een oude eik. Ervoor sporen van een vuurtje en restanten van gepofte aardappelen. Hij wijst naar boven. „Rondom die tweede tak, had ik een vlonder gebouwd. Vanuit daar kon ik over het land uitkijken.”

In de eerste romans van Wieringa trekken zijn personages de wereld in. Ze komen terecht in landen als Marokko en Algerije. In Caesarion (2009) vormt Oost-Engeland het vertrekpunt. Dit zijn de namen, zijn laatste roman, speelt zich voornamelijk af in een uithoek van de voormalige Sovjet-Unie. Maar Joe Speedboot, het boek waarmee hij in 2005 doorbrak, speelt zich wel af in Nederland, in het fictieve plaatsje Lomark. „Als kind had ik mijn blik altijd landinwaarts gericht. Bij de grens kwam ik nauwelijks. Maar ik heb me altijd gerealiseerd dat hierachter een enorm gebied lag. Voor mijn gevoel begon hier de Oekraïense steppe al.”

Vaak zat hij, met de wang tegen de stam, wat te somberen in zijn eik. „Of ik liep met een lasbril op en een stok langs het pad. Dan speelde ik dat ik een oude man was. Dat was mijn levensgevoel. Ik denk dat het kwam door die hardhandige breuk met mijn leven op de Antillen.”

Hij wandelt terug naar de auto en rijdt naar Café De Ruif in Langeveen. Hij voelt zich hier nog altijd een indringer, zegt hij, als hij even later een patatje eet aan een tafel met rood-wit geblokt kleedje. „Eerst was ik een blanke jongen tussen de Antillianen. Daarna een halve Antilliaan in een katholieke gemeenschap. Ik ben altijd een vreemdeling geweest in het leven van anderen.”

Hij rekent af en loopt met twee hamburgers voor Gait en Marinus naar buiten. „Ik zou hier nooit zijn gebleven. Ik ben romantisch over de omgeving hier, niet over het leven. Neem de blik van die jongen achter de frituur. Zwijgend de ander beloeren, vanuit een haag van wantrouwen. Die houding zie je hier veel.” Terug bij Veldhuis is de ruitenwisser weer op de Mercedes gemonteerd. Zachtjes zwiept hij heen en weer. „Gewoon kruipolie”, zegt Veldhuis. „Er zat verhard vet tussen de scharnieren.” De schemer valt in. Het is nog een lange tocht terug richting Noord-Holland. Terwijl de sneeuwstorm over het land jaagt, rijdt Wieringa naar huis. Met zicht op de snelweg.