Dit is een artikel uit het NRC-archief

Politiek

Soft power is duur

Het Institut Néerlandais in Parijs gaat dicht. Het is nu eenmaal crisis, en het effect van soft power is lastig uit te drukken in harde euro’s. Zo bezuinigen meer Europese landen op hun culturele instituten in het buitenland. Maar andere landen, China voorop, vestigen juist méér cultuurinstituten overzee om hun taal, erfgoed en ideeën uit te venten. Een kwestie van trots, optimisme én propaganda.

Wat doen cineclubs, concerten, literaire debatten en vernissages op de begroting van een ministerie van Buitenlandse Zaken? Nog even organiseert het Institut Néerlandais in Parijs het allemaal, met geld uit Den Haag. Dit jaar gaat het instituut dicht.

In tijden van efficiency-operaties van Europese overheden staat de sluiting van de culturele voorpost van Nederland in Frankrijk niet op zichzelf. De Vlaamse regering overweegt het dure pand van Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond in Amsterdam te verkopen en activiteiten naar zaaltjes te verplaatsen. The British Council, de vermaarde Britse taal- en cultuurorganisatie met wereldwijd meer dan tweehonderd vestigingen, moet zich grotendeels zelf bedruipen. Het schrappen van afdelingen is een optie. Het Spaanse Instituto Cervantes behoudt weliswaar al zijn 77 instituten in 44 landen, maar krijgt dit jaar 13 procent minder subsidie.

Nationale cultuurinstituten in het buitenland spelen een rol in wat politici, diplomaten en wetenschappers ‘publieksdiplomatie’ of ‘cultuurdiplomatie’ noemen. Verspreiding van talenkennis, promotie van muziek en kunst, ideeënuitwisseling bij debatten: het is allemaal soft power waarvan het effect moeilijk meetbaar is. Zachte invloed is kwetsbaar voor harde vragen over nut en kosten.

Minister Timmermans (Buitenlandse Zaken, PvdA) vindt cultuurdiplomatie van groot belang voor Nederland, laat hij weten. „In de wereld van vandaag is de concurrentie om aandacht en invloed groter geworden. Het gaat om zien en gezien worden, en een grote culturele uitstraling draagt bij aan de internationale invloed van Nederland”.

Waarom moet het Institut Néerlandais dan dicht? „Instituten hebben enorme vaste kosten. Dat geld steken we liever in concrete stimulerende en ondersteunende activiteiten. Dat biedt meer flexibiliteit en diversiteit”, zegt Timmermans. Dat vindt ook de Vlaamse commissie van cultuurexperts die pleit voor verkoop van het pand van De Brakke Grond.

Maar andere regeringen openen juist méér cultuurinstituten in buurlanden en overzee. Vaak is het een uiting van zelfvertrouwen, optimisme of trots. Duitsland gaf zijn Goethe Institut meer geld voor uitbreiding in groeicontinent Afrika. Polen opende het afgelopen decennium op meerdere continenten instituten met de naam Adam Mickiewicz, de Poolse Goethe. En Frankrijk, dat politiek en economisch aan belang inboet, wil zijn invloedssfeer niettemin uitbouwen met elf extra Instituts Français.

De luidruchtigste beoefenaar van publieksdiplomatie is nu China. De Chinezen promoten hun land 24 uur per dag via het kanaal CNC World, maar ook middels honderden ‘Confucius-instituten’ die ze de afgelopen jaren overal ter wereld oprichtten. Ze worden, anders dan de Europese cultuurinstituten, gevestigd aan buitenlandse universiteiten die zo’n ‘gratis’ (door China gefinancierd) instituut graag willen hebben.

China koopt soft power. En dat leidt met name in de Verenigde Staten tot wantrouwen: dienen die instituten niet gewoon voor ‘propaganda’? Een Chinese partijbaas gebruikte deze term volgens het Britse weekblad The Economist in 2009 gewoon zelf, zonder schaamte, toen hij het over de instituten had.

De Amerikanen kunnen het weten. Zelf stuurde Washington tijdens de Koude Oorlog jazz-muzikanten naar de Sovjet-Unie om Amerika als vrolijk en divers land te promoten. Al decennia nodigen e Amerikanen, als deel van hun public diplomacy, groepen jonge buitenlandse ‘leiders’ uit. Hillary Clinton stelde als minister van Buitenlandse Zaken een onderminister aan voor cultuurdiplomatie.

En het woord ‘propaganda’ is ook niet helemaal nieuw als aanduiding voor cultuurdiplomatie. Het was een Brit, de diplomaat Reginald Leeper, die zei dat „culturele propaganda”  van het grootste belang was in een wereld van opkomend fascisme.

Hij richtte in 1934 The British Council op.