Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Media

De verschrikkelijke wraak der dingen

Techniek zou het leven makkelijker maken. Maar het is naïef om te denken dat de dingen ons altijd gehoorzamen, betoogt Maxim Februari. Ze bijten namelijk terug.

Of ik wel eens denk dat de televisie tegen me praat, wil de psycholoog weten. Heb ik het gevoel dat er vijandige complotten worden gesmeed om in mijn brein te infiltreren via mijn huishoudelijke apparaten, zoals de broodrooster of de keukenmixer?

De psycholoog doet haar best, ze heeft tot taak te controleren of ik gek ben. Als we deze vragenlijst hebben afgewerkt, komt er een nieuwe vragenlijst tevoorschijn. Nu wil de psycholoog weten of ik erg geïnteresseerd ben in ‘de dingen’. Houd ik meer van dingen dan van mensen? Kijk ik veel naar kentekenplaten van auto’s?

Als ik het goed begrijp, zit het zo. Praten de dingen tegen jou, dan heb je te kampen met zoiets als paranoïde schizofrenie – en praat jij tegen de dingen, dan ben je waarschijnlijk een man. De psycholoog en ik zitten in een onderzoeksruimte tegenover elkaar om een van deze beide diagnoses bij mij te stellen.

Natuurlijk ben ik wel zo verstandig niet het achterste van mijn tong te laten zien, en dus vertel ik niet dat ik net een boek heb gekocht over de dingen. Dat ze terugbijten. En waarom. Why things bite back, van Edward Tenner; een boek uit 1997 over techniek en de contraproductieve effecten daarvan. Tenner noemt ze wraakeffecten. Mensen ontwikkelen dingen om hun leven makkelijker te maken, maar al snel verzelfstandigen de dingen zich en nemen wraak. Denk je te leven in een mannenwereld, blijk je te zijn terechtgekomen in een wereld vol van paranoia.

Een voorbeeld. Antibiotica zijn ontwikkeld om ziekten te bestrijden, en dat doen ze ook, maar ze kweken tegelijkertijd resistente bacteriën en daarmee steeds nieuwe, gevaarlijke en onoverwinnelijke ziekten. Valhelmen en kniebeschermers worden ontworpen om sport veiliger te maken, en dat doen ze ook, maar hoe beter sporters zich beschermd wanen, hoe woester ze sporten, met steeds ernstiger letsel tot gevolg. Hoe beter het gaat, hoe slechter het wordt.

Het is een nogal omslachtig en overvol boek, en ik scharrel er een beetje doorheen. Ik heb het niet gekocht omdat ik meer van dingen houd dan van mensen, maar juist omdat ik denk dat er geen ondoordringbare muur staat tussen die twee. Wij praten en de dingen praten terug. Op zijn minst is er cultureel contact en wordt van beide kanten gestreefd naar onderling begrip. In recente besprekingen die ik van Tenners boek lees, wordt hij beschuldigd van technofobie, maar dat verwijt slaat de plank mis. Het geeft immers eerder blijk van liefde dan van angst als je wilt weten waarom de dingen je bijten.

Want weet je wat wel technofoob is? De gedachte dat techniek niets is dan wezenloze materie, die strikt gehoorzaamt aan de bevelen van de mens. Een gedachte die je de laatste weken bijvoorbeeld steeds weer ziet opduiken zodra het over het Elektronisch Patiëntendossier gaat; onze autoriteiten hoor je steevast beweren dat zo’n elektronisch ding gewoon doet wat je zegt.

Er zijn drie tips die je politici en bestuurders zou willen geven over de dingen. Ten eerste dat je nooit weet wat ze doen. Ze zijn ongrijpbaar en onvoorspelbaar in hun gedrag, al was het alleen maar omdat je hun diepste wezen niet kent. Je kunt best een vliegtuig besturen als de hoogtemeter kapot is, maar je krijgt problemen als het systeem op eigen houtje het signaal van de hoogtemeter opvat als een bevel om gas terug te nemen. Hoe meer functies je aan een ding geeft, hoe onvoorspelbaarder de uitkomst wordt.

De tweede tip is dat meer niet altijd beter is. Een Elektronisch Patiëntendossier wordt aangeprezen omdat het de informatiebasis voor beslissingen vergroot, maar er zijn onderzoeken waaruit blijkt dat meer patiënteninformatie eerder tot meer medische fouten leidt dan tot minder.

Een derde tip aan de autoriteiten is dat dingen niet altijd goedkoper zijn dan mensen. Ze werken niet vanzelfsprekend voor een lager loon. Zo zijn ze duur in productie en onderhoud. Denk aan de fameuze berekening van Ivan Illich, die ook opduikt in het boek van Tenner, waaruit is gebleken dat in 1974 een auto een langzamer vervoermiddel was dan een fiets. Rekende je uit hoeveel uren je moest werken om onder meer de benzine en belasting te betalen, dan kwam je op een snelheid van zeseneenhalve kilometer per uur.

Ook heb je voor ieder ding dat je aan het werk zet mensen nodig om hem te helpen. Toen de secretaresses werden vervangen door kantoortechnologie, werden hele teams van duurbetaalde specialisten nodig om daarop toe te zien, schrijft Tenner. Nieuwe systemen zadelen mensen op met nieuwe taken, die ze lelijk van hun eigen werk afhouden.

Al met al moet je als mens niet zo naïef zijn te denken dat de dingen je blind gehoorzamen. Ze bijten namelijk terug. Een systeemtechnicus op het internet moppert dat Tenner geen antwoord geeft op de vraag waarom. En dat – waarom treden die wraakeffecten op – is toch de belangrijkste vraag. Ik kreeg er deze week antwoord op toen ik iemand hoorde zeggen dat de dingen ons zo willen dwingen tot een interessantere conversatie dan louter ‘Aan!’ of ‘Uit!’. Maar goed, het was de keukenmixer die dat zei, en ik weet niet of we die kunnen vertrouwen.