De vroege islam door andere ogen

geschiedenis

Mohammed is een historische figuur, maar hij preekte niet in Mekka. Onderzoekers Patricia Crone en Michael Cook deden ontdekkingen die ingaan tegen de islamitische traditie.

Rond het jaar 633 explodeert Arabië. Vanuit de woestijnen van het schiereiland raast een militaire wervelwind door Syrië, Palestina, Irak en Egypte. De legers van Byzantium en het Sassanidische Perzië worden verslagen. Die twee machtige rijken verliezen een groot deel van hun grondgebied. De Arabische ruiterij beroept zich op één God en op een profeet, Mohammed. Het was nooit eerder gebeurd, en het zou daarna ook nooit meer gebeuren, dat de verdeelde stammen van Arabië zich aaneensloten en de halve bekende wereld veroverden. Wat dreef hen? Het is nog steeds een raadsel.

In 1967 kwamen twee jonge historici, de Brit Michael Cook (1940) en de Deense Patricia Crone (1945), elkaar tegen op de School of Oriental and African Studies in Londen. Patricia liep er college bij Michael. In de jaren zeventig werkten ze samen aan een opmerkelijk boek over de opkomst van de islam: Hagarism – The Making of the Islamic World (1977). Het was gebaseerd op voordien onbekende christelijke bronnen en zette de islamitische overlevering over de profeet Mohammed en zijn eerste opvolgers volledig op zijn kop. De wervelwind van de zevende eeuw zou een ‘joods-messiaanse’ beweging zijn geweest om Jeruzalem te bevrijden van vreemde bezetters. Het woord ‘omstreden’ past bij dit boek als ‘bries’ bij een novemberstorm.

Daarna werkten Cook en Crone apart en schreven ze gezaghebbende boeken. In de jaren negentig troffen ze elkaar opnieuw in Princeton, New Jersey, waar ze nu allebei een leerstoel bezetten aan verschillende instituten (zie kaders). Vorige week kregen ze, ter gelegenheid van de 438ste Dies Natalis van de Universiteit Leiden en van 400 jaar Leidse arabistiek, een eredoctoraat ‘omdat ze met hun pionierende en altijd vernieuwende visie op de geschiedenis van de islam hun vakgebied blijvend hebben veranderd’.

Sinds Cook en Crone zich buigen over ontstaan en vroege geschiedenis van de islam moesten ze als historici sommige islamitische overleveringen als onhoudbaar van de hand wijzen. Mochten de Leidse organisatoren zich zorgen hebben gemaakt over een mogelijke verstoring van de ceremonie in de Pieterskerk door opgewonden gelovigen, dan werden ze snel gerustgesteld. Er gebeurde niets buitengewoons.

Cook en Crone kijken trouwens niet op van boze moslims. In Hotel De Doelen, waar ze logeren, zegt Michael Cook laconiek: “Dit is niet het enige mijnenveld van de wereldgeschiedenis. Wie zich verdiept in de oorsprong van het christendom zal onbedoeld veel mensen kwetsen. Als je het ontstaan van shinto, de oude staatsgodsdienst van Japan, onderzoekt, zal niet iedere Japanner op prijs stellen wat je doet. Verbale aanvallen op het internet? Je raakt eraan gewend. En je kunt het begrijpen. Ik ben in religieus opzicht geen ware gelovige, maar er zijn principes waarin ik oprecht geloof, en ik kan me enorm opwinden over mensen die deze beginselen aanvallen.”

De twee wierpen in 1977 de knuppel in het hoenderhok met hun boek ‘Hagarism’. Tot dat moment volgden historici in grote lijnen de islamitische overlevering. Cook en Crone probeerden als eersten de opkomst van de islam te reconstrueren aan de hand van niet-islamitische bronnen: zevende-eeuwse ooggetuigenverslagen van de wervelwind, geschreven in het Grieks, Hebreeuws, Aramees en Syrisch (een in Byzantijns Syrië gesproken variant van het Aramees). Dat leverde een heel ander beeld op van de vroege islam dan de islamitische traditie.

De auteurs noemden de ideologie van de Arabische stammen die optrokken tegen Byzantium en Perzië ‘hagarisme’. Dat is een verwijzing naar Hagar, de ‘Egyptische dienstmaagd’ uit de Bijbel met wie Abraham een zoon had, Ismaïl, die in de joodse en moslimtraditie geldt als stamvader van de Arabieren.

In dat boek karakteriseerden Crone en Cook de opmars naar het noorden als een Arabische beweging, geïnspireerd door joods messianisme, waarin Arabieren en Joden bondgenoten waren die Palestina wilden bevrijden van het Byzantijnse juk.

De Koran zou een bewerking uit de achtste eeuw zijn van verschillende joods-christelijke en andere Midden-Oosterse bronnen, en Mohammed zou de heraut en wegbereider zijn van ‘Umar de Verlosser’, een joodse messias. Umar (579-644) is in de islamitische historiografie de tweede kalief (opvolger van de profeet).

We zijn intussen 35 jaar verder. Kunnen de auteurs deze conclusies nog steeds onderschrijven? Cook: “Ik niet meer. Ik heb het boek nooit helemaal herlezen, maar als ik dat wel zou doen, zou ik het waarschijnlijk eens zijn met de vragen, maar niet met de meeste antwoorden.”

Crone is minder afwijzend: “Ik denk dat sommige van onze antwoorden de plank volledig missloegen, maar andere waren wel degelijk juist. Bijvoorbeeld dat deze beweging niet naar binnen was gekeerd, zoals lang is gedacht. Hij richtte zich op Jeruzalem, niet op Arabië. Michael denkt daar anders over.”

Door gebruik te maken van Griekse en andere niet-islamitische teksten situeert het boek de opkomst van de islam in de laat-antieke wereld.

Crone: “De bronnen die wij hebben aangeboord zijn niet noodzakelijkerwijs betrouwbaarder dan de islamitische, maar ze zijn wél van veel vroeger datum. Ze overlappen in de tijd met de beschreven gebeurtenissen. Islamitische geschriften, zoals de levensbeschrijving van Mohammed door Ibn Ishaq en de eerste overleveringen over zijn optreden en uitspraken, laten dan nog zeker 120 jaar op zich wachten. Deze contemporaine verslagen zijn de Arabieren ongetwijfeld vijandig gezind, maar ze zijn verrassend feitelijk. Natuurlijk kijken de auteurs met christelijke ogen, maar die invalshoek is interessant. Het is van groot belang om te kunnen kijken door heel veel ogen.

“Het meest treffende voorbeeld is de zevende-eeuwse Armeense bisschop Sebeos die zo’n tien jaar na dato schreef over de Arabische inval in Armenië [651]. Hij verfoeit de Arabieren, maar hij geeft een uiterst nuchter en accuraat verslag van de opkomst van de islam. Mohammed, schrijft hij, predikte monotheïsme, verbood seks buiten het huwelijk en het drinken van wijn. Het klopt allemaal. Sebeos is neutraal als het over de religie van de Arabieren gaat, maar zijn toon wordt uitgesproken vijandig zodra hij schrijft over hun invasies.”

Is Mohammed een historische figuur?

Cook: “Wij hebben daar nooit aan getwijfeld.” Crone knikt: “Ons is verweten dat we dat wél deden, maar dat is volstrekte onzin. Mohammed speelt een belangrijke rol in al onze boeken over de vroege islam.”

Cook: “Hij wordt genoemd in contemporaine bronnen. De Doctrina Jacobi nuper Baptizati is een Griekse tekst uit 634. Als we de traditionele sterfdatum van Mohammed aanhouden, 632, dan dateert die bron van twee jaar daarna. Hij wordt er niet met name in genoemd, maar er staat wel iets over ‘een profeet die is verschenen bij de Saracenen’. Het is bijna onmogelijk dit te interpreteren als iets anders dan een verwijzing naar de historische Mohammed.

“Verder hebben we een Syrische bron, een boek uit 636, waarin achterin iets is gekrabbeld over de Slag bij de Yarmouk [een zijrivier van de Jordaan] tussen het Byzantijnse leger en de zegevierende troepen van de kalief (augustus 636). Daar wordt Mohammed voor het eerst bij naam genoemd.”

Patricia Crone schreef in 2008 dat de Koran ons meer vertelt over ‘wat er omging in het hoofd van Mohammed’ dan over feitelijke gebeurtenissen. Wat is dan de waarde van Het Boek als historische bron?

Crone: “Mohammed probeert mensen te overtuigen van zijn inzicht dat er maar één God is, dat hij zijn profeet is en dat ze omwille van hun leven in het hiernamaals moeten doen wat hij zegt. Hij had het zichtbaar lastig met wat zijn tegenstanders zeiden en wat God hem instrueerde daarop te antwoorden. Je krijgt uit de Koran een heel levendig beeld van iemand die probeert deze blinde en dove mensen te doordringen van het belang van wat hij te zeggen heeft.”

Cook valt haar bij: “De Koran vertelt je wat deze man denkt, los van de vraag of hij het zelf bedenkt of doorkrijgt van de aartsengel Gabriël. Het is niet, zoals Kronieken of het Boek der Koningen in de Hebreeuwse Bijbel, een lopend geschiedverhaal. En de verhalen die er wel in staan, gaan vooral over pre-islamitische tijden, over bijbelse thema’s, zoals Mozes. Die verhalen nemen vooral de vorm aan van toespelingen, alsof de toehoorders ze al kennen.”

Crone: “Er is natuurlijk veel christendom in de Koran. Alleen al het feit dat Jesus (in het Arabisch Isa) wordt erkend als een profeet. Maar het is in zijn voorstelling van Jezus en Maria zeker geen ordentelijk christendom. Waar komen al die leerstellingen in de Koran vandaan? Zijn ze joods, christelijk? Zijn ze ontleend aan ‘ketterse’ christelijke stromingen? We weten nog veel te weinig.”

Tegen wie praat en fulmineert Mohammed? Heidenen? Christenen? Joden?

Cook: “Tegen mensen die geloven in één God, maar verder ook geloven in engelen, wat volgens Mohammed indruist tegen het monotheïsme. Sla je vervolgens de biografie van Ibn Ishaq en andere islamitische bronnen op, dan krijg je een beeld gepresenteerd van heidense Arabieren met afgodsbeelden van stokken en stenen. Die twee voorstellingen passen niet goed op elkaar.”

Waar gebeurt dit allemaal? In het heidense Mekka uit de islamitische traditie of ergens anders?

Crone: “Ik denk dat dit heidense Mekka een constructie is. En dat het motief erachter is dat de islam moet zijn geboren in een religieus maagdelijke omgeving. Mekka had waarschijnlijk joodse noch christelijke gemeenschappen. Je ontkomt niet aan de verdenking dat de traditie de loopbaan van de profeet in Mekka situeert om dezelfde reden waarom hij nadrukkelijk ongeletterd wordt genoemd. Hij kan zijn kennis van alle dingen die God eerder had verteld aan joden en christenen alleen hebben verworven door goddelijke openbaring. Men wilde geen associatie van de oorsprong van de islam met jodendom en christendom.”

Waar speelt het optreden van Mohammed zich dan wel af?

Cook: “Wij hebben gespeeld met de gedachte dat het in werkelijkheid meer naar het noorden gebeurde, maar ik heb hier geen theorie over.”

Crone wel: “In de Koran wordt een paar maal verwezen naar plaatsen die volgens mij onmogelijk Mekka kunnen zijn. Zo zegt Mohammed tegen zijn gehoor dat ‘u iedere ochtend en iedere avond langs de resten van Lot komt’. [Lot is een personage uit het Bijbelboek Genesis, een neef van Abraham, die zich vestigde in de Jordaanvlakte.] Dan zouden we ons moeten bevinden in de buurt van de Dode Zee. Mekka is ook niet één van de ‘verblijfplaatsen van een verdwenen volk’. ‘Jullie’, zegt Mohammed tegen zijn tegenstanders, ‘leven op zo’n plaats; waarom trekken jullie daar geen lering uit?’ Het noorden van Arabië is vol met ruïnes van verdwenen steden. Aan al die resten zitten verhalen vast over volken die zijn vernietigd om hun zonden. Het sterkste argument is dat Mohammeds tegenstanders olijven kweken, en dat kan alleen in het noorden van het Arabisch schiereiland. Dat kan Mekka noch Medina zijn geweest. Daar heeft niemand ooit aandacht aan besteed.”

Cook en Crone denken allebei dat archeologisch onderzoek op het Arabische schiereiland nieuw licht zou kunnen werpen op de vroege islam. Maar dat is niet eenvoudig. De Saoedi’s zijn allergisch voor christelijke resten op hun grondgebied.

Crone: “De twee plaatsen waar je opgravingen zou willen doen zijn Mekka en Medina. Maar voor Mekka is het al te laat. Die stad is radicaal op de schop gegaan om voorzieningen te bouwen voor de jaarlijkse stroom pelgrims. Er is daar niets meer te vinden. Maar het hele noorden van het schiereiland is vol archeologische vindplaatsen. Er is al gegraven in Petra [in het huidige Jordanië, even ten oosten van de Jordaan]. Dat lag vóór de Arabische verovering in het Byzantijnse Rijk, maar het behoort tot Arabië.”

In het Syrië van de zevende eeuw waren hele Arabische stammen gekerstend. Hoever is de kerstening doorgedrongen in Arabië?

Crone: “Vrij ver, denk ik. Zeker in het noorden, zuiden en aan de oostkust. En het binnenland? Ik denk dat niemand dat weet. Wat ik wel weet, is dat de Byzantijnse invloedssfeer zich veel verder naar het zuiden uitstrekte dan eerder werd gedacht. Er is pas een reusachtige Latijnse inscriptie gevonden in Mada’in Saleh [in het noordwesten van Saoedi-Arabië]. De Romeinen hadden daar kennelijk belangen. Dit was voor mij een grote verrassing. Heeft u Doughty’s Travels in Arabia Deserta [1888] gelezen? Wat een naar binnen gekeerde wereld bewoonden die Arabische stammen! Ik heb me Arabië in de tijd van Mohammed lang voorgesteld als net zo, of nog erger. Ik zat er goed naast. Er waren regelmatig contacten met de buitenwereld. En die hadden, voor zover we nu kunnen nagaan, invloed op bijna het hele schiereiland. Het blijft een uithoek, maar ik heb het isolement sterk overschat.”