‘Veel van de markt is nu al afgegraasd’

Toen kunsthandelaar Ivo Bouwman veertig jaar geleden begon, keken musea neer op zijn werk. Nu wordt zijn jubileum gevierd met een expositie in het Gemeentemuseum Den Haag.

Kunsthandelaar Ivo Bouwman bouwt zijn expositie op in het Gemeente Museum Den Haag
Kunsthandelaar Ivo Bouwman bouwt zijn expositie op in het Gemeente Museum Den Haag Foto Peter de Krom

Een paar dagen voor de officiële opening van zijn tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag wist kunsthandelaar Ivo Bouwman al wat hij daar wilde zeggen. „Ik wil memoreren hoe, toen ik in dit vak begon in 1972, museumdirecteuren met dedain neerkeken op kunsthandelaren en bij wijze van spreken direct hun handen gingen wassen nadat je ze je de hand hadden geschud. Dat is gelukkig in de loop der jaren omgeslagen”, zegt hij. „Nu zoeken musea de medewerking van kunsthandelaren om bruiklenen te verkrijgen voor tentoonstellingen.”

Maar een kunsthandelaar die een tentoonstelling in een museum mag inrichten, dat komt nog steeds nauwelijks voor. Bouwman voelt zich dan ook „vereerd” met de tentoonstelling Herkomst Ivo Bouwman, die vanaf vandaag tot 12 mei open is voor publiek. De handelaar, gespecialiseerd in kunst van rond 1900, zegt dat hij het Willem Cordia-kabinet „helemaal gaat volstouwen, als een echt kabinet. Ik heb in die veertig jaren zoveel mooie werken door mijn handen laten gaan, daar zou ik twee grote zalen mee kunnen vullen.”

Bouwman heeft werken van schilders als Vincent van Gogh, J.B. Jongkind, Leo Gestel en Jan Sluijters verkocht aan verschillende musea en aan verzamelaars in binnen- en buitenland. Zijn klanten ontving hij in galeries op de Laan van Meerdervoort en later lange tijd het Lange Voorhout en de Lange Vijverberg. Tegenwoordig heeft hij zijn galerie gevestigd op de begane grond van zijn woonhuis aan de Jan van Nassaustraat. Zijn beagle komt tijdens het gesprek af en toe even rondsnuffelen.

Eigenlijk viel zijn veertigjarige jubileum in 2012. Maar drie werken die het Van Gogh Museum bij hem heeft gekocht (Portret van Guus Preitinger van Kees van Dongen, Landschap in Normandië van Claude Monet en Les femmes qui s’ embraces van Jan Sluijters) hangen daar aan de muur. Het museum wilde ze alleen afstaan nu het tijdelijk dicht is. De overige 18 werken die Bouwman laat zien komen van verzamelaars.

Begin jaren zeventig begaf Bouwman zich op wat hij zelf „een braakliggend terrein” noemt. Van de Haagse School haalde hij werken terug uit Canada en de Verenigde Staten, om ze hier voor meer geld door te verkopen.

Tegenwoordig struikel je op beurzen over werken van sommige van deze Nederlandse kunstenaars. „Ik heb me deels teruggetrokken uit die markt, sinds andere kunsthandelaren er zich op hebben gestort”, vertelt hij. „Isaac Israels – daar ben ik minder actief in. Zoals elke kunstenaar heeft hij naast geweldige ook ronduit zwakke werken gemaakt. Die zie je nu ook op de markt en daar worden veel te hoge prijzen voor betaald. Soms komen verzamelaars met zo’n werk bij mij en dan vertel ik ze dat ze maar terug moeten gaan naar de kunsthandelaar waar ze het werk hebben gekocht.”

Hij lacht. „Er zijn best veel mensen die mij arrogant vinden. Dat ben ik niet, ik probeer er alleen open over te zijn of een schilderij goed is of niet. En ik ben zeker eerlijk als een schilderij vals is. Dat komt helaas ook veel te vaak voor.”

Bouwman stroopte vroeger veilingen af, maar koopt daar nu slechts bijuitzondering. „In de jaren zeventig betaalde je als koper een opslag van 10 procent, in Engeland zelfs niks. Met de opslag die je nu moet betalen van 20 tot 30 procent, blijft er voor een handelaar bijna geen marge over. De veilinghuizen lopen geen risico en maken gruwelijke winsten”, zegt hij. De mooiste werken zie je soms niet eens meer op de veiling, constateert hij. „Die verkopen ze in private deals. Het zijn geen veilinghuizen meer, het zijn handelshuizen geworden.”

Een paar weken geleden maakte hij zich desondanks in een brief aan deze krant druk dat Christie’s in Amsterdam gedeeltelijk stopt met veilen en zijn personeelsbestand halveert. „Het is de arrogantie van de macht: zij willen zich niet realiseren dat 70 tot 80 procent van wat er mondiaal via veilingen wordt verkocht domweg betaalbare stukken zijn. Het gaat niet alleen om de topstukken waar ze record na record over aankondigen. In een stad als Amsterdam moet je een klein veilinghuis in stand kunnen houden. Dit is pure armoe.”

Maar het vertrek van Christie’s zorg toch ook voor meer ruimte voor de kunsthandel? Bouwman: „Wellicht. Maar er zijn nog veel kunsthandelaren aangewezen op de veilingen. Het wordt toch al veel moeilijker om stukken te vinden. Heel veel is al afgegraasd.”

Hij ziet kunsthandelaren om zich heen verdwijnen. „Laten we eerlijk zijn, het succes van de kunsthandel viel samen met de economische bloei. Vooral handelaren die megalomaan hebben geopereerd, vallen weg. Zij hebben teveel werken in voorraad, die ze niet meer kunnen verkopen. Ik heb altijd geloofd in small is beautiful: een overzichtelijke voorraad, weinig personeel en de kosten altijd onder controle.”

Over zijn eigen kunsthandel, waarin hij zich meer richt op Franse werken, maakt Bouwman zich geen zorgen. Hij is 70,maar wil nog niet ophouden. „Dit is mijn hobby, ik kan niets anders. Van mij mogen er nog tien jaar bij.”