Belang landbouw in de EU daalt echt

Natuurlijk is de meerjarenbegroting van de Europese Unie een compromis, maar op termijn verschuiven er wel degelijk accenten, betoogt Herman Van Rompuy.

karikatur für tribüne- tandem
karikatur für tribüne- tandem

De 27 staatshoofden en regeringsleiders van onze landen hebben een week geleden, na een lange nacht onderhandelen, een akkoord bereikt over de begroting van de Europese Unie voor de komende zeven jaar. Dit akkoord zal ik aanstaande maandag presenteren en verdedigen in het Europees Parlement.

Uit berichten in de pers blijkt dat ieder staatshoofd en iedere regeringsleider het beste voor zijn land en burgers uit de onderhandelingen heeft proberen te halen. Hier is niets op tegen, noch tegen het feit dat sommigen meer de nadruk legden op de bezorgdheid van hun belastingbetalers en anderen op de behoeften van begunstigden. Voor mij is het belangrijk dat we samen overeenstemming hebben bereikt over een begroting voor de rest van het decennium en dat er een goed akkoord voor Europa als geheel uit de bus is gekomen.

De cijfers spreken voor zich. In het algemeen gaan de uitgavenstreefcijfers weliswaar naar beneden, maar het aandeel investeringen voor groei en werkgelegenheid wordt groter. Hiermee wordt uiting gegeven aan de twee belangrijkste overwegingen die aan onze keuzes ten grondslag liggen: ons aanpassen aan strenge budgettaire beperkingen in heel Europa, en tegelijkertijd investeren in de toekomst.

Net als in de rest van Europa ligt de nadruk op meer doen met minder geld. Dit geldt ook voor administratieve uitgaven. Elke euro moet zo doeltreffend mogelijk worden besteed. In heel Europa wordt de broekriem aangehaald. De Unie kan hierop geen uitzondering vormen. Een begroting die door matiging wordt gekenmerkt, was dus de enig mogelijke oplossing. Voor het eerst in de geschiedenis dalen de uitgavenplafonds ten opzichte van de vorige periode. Ze zijn afgetopt tot 1 procent van het bruto nationaal inkomen van de EU.

Gezien de tegenwoordige economische uitdagingen moet absolute voorrang worden gegeven aan banen, groei en concurrentiekracht. Wij kunnen het ons eenvoudigweg niet veroorloven toekomstgerichte investeringen in onderwijs, onderzoek of innovatie op te offeren. Om die reden is in de begroting 37 procent – of 34 miljard euro – extra uitgetrokken voor deze gebieden en worden er belangrijke bedragen opzijgezet voor grensoverschrijdende energie-, vervoers- en digitale netwerken (30 miljard euro). Ook voor kerninitiatieven als Erasmus voor iedereen, het uitwisselingprogramma voor studenten en leraren, of Horizon 2020, het grootste onderzoeks- en innovatieprogramma op het continent, zal aanmerkelijk meer geld worden uitgetrokken.

Dit is mogelijk gemaakt door de begroting te moderniseren. Zo verschuift bijvoorbeeld voor landbouw, een beleidsgebied dat uitsluitend op Europees niveau wordt geregeld, het zwaartepunt van globale subsidies naar billijke inkomens voor landbouwers, levenskwaliteit in plattelandsgebieden en groenere praktijken. Een duurzame voedselsector is essentieel voor ieder van ons. Landbouw behoort niet tot het ‘verleden’, maar dankzij hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vermindert het relatieve belang ervan in de begroting. Dit zal het blijven doen.

In antwoord op de stijgende jeugdwerkloosheid – die een op de vier jonge Europeanen treft, in sommige landen zelfs een op de twee – zal een nieuw initiatief van 6 miljard euro worden opgezet om deze dramatische situatie te helpen bestrijden. De regionale fondsen zullen worden aangesproken om de landen te helpen die het hardst zijn getroffen. Fondsen zullen gericht blijven op de armste regio’s en de meest hulpbehoevenden, om de sociale cohesie in onze Unie te versterken. Ondanks de crisis blijft het geld voor mondiale kwesties van vitaal belang, zoals ontwikkelingshulp of klimaatverandering, gevrijwaard.

Het gaat hier om een in diverse opzichten gemoderniseerde, realistische begroting, die is gericht op de meest urgente zorgpunten. Het is een compromis en wellicht om die reden voor niemand een perfecte begroting, maar wel één die de standpunten van allen verzoent. Sommigen betreuren het dat niet alle investeringsvoorstellen het gehaald hebben, omdat dit te duur zou uitvallen. Ook ik kan dit betreuren, maar het zou misleidend zijn om aanpassingen in de ontwerpbegroting voor te stellen als ‘besparingen’. In de overeengekomen begroting wordt aanmerkelijk meer geld uitgetrokken voor investeringen in groei dan in de bestaande begroting. Dit geld zal het verschil maken.

Het akkoord van afgelopen week is niet het einde van het verhaal. Het Europees Parlement zal zich ter voorbereiding van de finale onderhandelingen beraden op het politieke akkoord dat staatshoofden en regeringsleiders hebben bereikt. Al in aanloop naar de top hebben leden van het Europees Parlement uiting gegeven aan hun terechte zorgen, bijvoorbeeld wat betreft de noodzaak van nieuwe inkomstenbronnen of de behoefte aan bepaalde vormen van begrotingsflexibiliteit. Dit is zinvol, aangezien niemand kan voorspellen hoe Europa er over zeven jaar voor zal staan. Bovendien draagt flexibiliteit ertoe bij dat de betalingen van de Unie gelijke tred kunnen houden met de reserveringen.

Een investeringsbegroting voor zeven jaar creëert een belangrijke mate van voorspelbaarheid. Zonder een dergelijke meerjarenbegroting kunnen wij maar geld voor één jaar tegelijk reserveren. Voor wetenschappers, liefdadigheidsinstellingen en universiteiten, alsook voor lokale en regionale autoriteiten in heel Europa, zou dit een forse achteruitgang betekenen. Grote projecten hangen ervan af.

Nu het vertrouwen in onze economieën geleidelijk terugkeert, zal met het bezegelen van dit zevenjarige perspectief voor Europa een gunstig signaal worden afgegeven.

Herman Van Rompuy is voorzitter van de Europese Raad.