Over de dode bomen niets dan goeds

Wanneer verwijzen media naar elkaar? De Telegraaf heeft genoeg aan zichzelf, aldus nieuw onderzoek. En: website GeenStijl kan niet zonder de krant.

Een bekend dilemma op een krantenredactie: een concurrent heeft nieuws, relevant genoeg om het de eigen lezer niet te onthouden. Dus moet er een bericht komen. Maar moet daarin perse de naam van de nieuwsbron, de concurrent?

Hiervoor bestaat een ongeschreven regel. Als het werkelijk knap is dat de concurrent iets boven water heeft gehaald met verstrekkende gevolgen, dan is ruimhartig toeschrijven het devies: „zoals Trouw vanochtend meldde”. Bij weinig indrukwekkend nieuws mag je daarentegen ‘witwassen’.

Witwassen betekent: bel de door de concurrent opgevoerde bronnen, of bron, en laat ze hetzelfde nog eens zeggen. „Klopt het wat u vanmorgen in de Volkskrant zei?” Hopelijk willen ze het in de herhaling iets pregnanter zeggen, met meer details of net anders. Daarna mag het in de krant, zonder verwijzing naar wie ook.

De Nederlandse Nieuwsmonitor en het Amsterdamse bureau Publistat Mediaonderzoek brengen vandaag naar buiten hoe vaak de zes belangrijkste nationale dagbladen, plus de website GeenStijl elkaar hebben genoemd in 2012.

Wat blijkt? In 237.283 bekeken artikelen noemden de onderzochte media elkaar 6.695 keer in 4.180 artikelen. Dus in 1,8 procent van de bekeken artikelen schreven de onderzochte dagbladen plus website over elkaar.

Belangrijker is natuurlijk: wie neemt wat van wie over? De gedachte is dat bedrijven, instellingen en zelfs privépersonen graag willen weten bij welke krant zij hun nieuws moeten pluggen om gehoord te worden door een zo groot mogelijk publiek.

Het fenomeen witwassen maakt zo’n onderzoek bijzonder lastig. Een onderzoeker die het aantal artikelen turft waarin een dagblad een concurrent noemt, krijgt immers voornamelijk zicht op de ruimhartigheid waarmee dat dagblad nieuws uit een andere krant behandelt. Minst ruimhartig blijkt De Telegraaf. De grootste krant van Nederland heeft genoeg aan zichzelf en noemt zelden een andere krant. Dit terwijl anderen De Telegraaf juist het vaakst noemen, vooral als onderwerp van het nieuws. Als in „De Telegraaf helpt rechts een handje”, een artikel uit de Volkskrant, van 12 september.

Maar welke krant had nu het meeste niet-wit-te-wassen-nieuws? Dus nieuws waarvan de concurrentie meent dat er moet worden toegeschreven – voor journalisten de belangrijkste categorie. De onderzoekers maken onderscheid tussen ‘verwijzing’ en ‘bron’.

Verwijzen is wat GeenStijl doet, met hyperlinks: klik hier om het krantenartikel te lezen. Omdat de website opvallend vaak linkt naar artikelen in De Telegraaf (volgens GeenStijl de „Televaag” en „Telepaniek”) en naar de Volkskrant („Azijnbode”), hebben beide kranten een grote „zichtbaarheid”. Maar als de onderzoekers alleen kijken naar kranten genoemd als nieuwsbron, dan ‘scoort’ NRC Handelsblad het hoogst: 493 keer, versus 434 keer de Volkskrant en 427 keer De Telegraaf.

Het viel de onderzoekers op dat dagbladen erg kritisch over elkaar schrijven. Vooral de Volkskrant en NRC Handelsblad ontzien elkaar niet.

Opvallend is ook dat het Algemeen Dagblad, qua abonnees de tweede krant van Nederland, voor de concurrentie niet lijkt te bestaan. Zo besteedde De Telegraaf in 2012 niet meer dan vijf zinnen aan het AD. Uitkomsten van oliebollentest en haringtest halen zelden een andere krant.

De onderzoekers noemen GeenStijl „duider van dode bomen”. Het medium, dat graag afgeeft op papieren media („de dode bomenbrigade”), baseert bijna een derde van haar berichten op een verhaal uit een krant, met link erbij. Dat is verreweg het hoogste percentage van alle zeven. Ter vergelijking: De Telegraaf baseert slechts in één op de vijfhonderd artikelen op een verhaal van een ander. Bij het Financieel Dagblad is dat 1,3 procent. NRC Handelsblad: 1,2 procent.

GeenStijl produceert zelf zelden nieuws waarvan anderen melding maken. Gemiddeld twee artikelen per maand, verdeeld over zes kranten. Ofwel: 0,33 artikelen per maand per krant.