Meedogenloos op weg naar het einde

Eind 2012 telde Nederland bijna evenveel vakbondsleden als in 1994. Het is een meedogenloos neergaande trend die mensen als FNV-voorzitter Ton Heerts én VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes met angst en ongenoegen vervult. Heerts moet de FNV nieuw elan geven, maar verzandt vooralsnog in een reorganisatie van de vakcentrale en de drie grootste leden, namelijk Bondgenoten, Abvakabo en Bouw. Wientjes wil graag rust in arbeidsverhoudingen in crisistijd én politieke zekerheid in een akkoord met het kabinet.

Schoksgewijs daalt het aantal vakbondsleden al langdurig, zo blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) . Eind 1994 waren er 1,84 miljoen vakbondsleden. In 1999, het jaar dat de AEX-beursgraadmeter bijna 25 procent opliep en er dankzij internet oneindige economische groei binnen handbereik lag, piekten de vakbondsleden op 1.935.000. Eind vorig jaar stond de teller op 1.849.000.

Het aantal vakbondsleden als percentage van de beroepsbevolking, de zogeheten organisatiegraad, is 20 procent. Die trend is alom. De Amerikaanse organisatiegraad is nog maar 11,3 procent, blijkt uit cijfers van het Bureau of Labor Statistics.

Hier staat de organisatiegraad op een dieptepunt sinds 1955, het oudste jaar in het overzicht van het CBS. Op mijn Twitteraccount @menno_tamminga staat een verwijzing naar het document. De cijfers indiceren twee onverbiddelijke trends. De vakbonden verliezen hun ‘oude’ industriële basis. In de sector delfstoffenwinning en industrie becijfert het CBS de organisatiegraad (2011) op 24 procent, maar in Noord-Brabant, het hart van onze ‘maakindustrie’, is het maar 16 procent. Tweede trend is de relatief sterke positie van de bonden in de publieke sectoren: openbaar bestuur (34 procent organisatiegraad) en onderwijs (30 procent). In de gezondheids- en welzijnszorg is het 19 procent.

De consequenties zijn tweeledig. Het sociaal-economisch overleg (SER, Stichting van de Arbeid, voor- en najaarsoverleg) is gebaseerd op gelijkwaardige macht van werkgevers, vakbonden en kabinet. Dat is voorbij. De vakbond is de zwakste schakel.

Twee. Een sociaal akkoord draait meer dan ooit om de verdeling van de kosten van de verzorgingsstaat tussen de overheid – als hoeder van de rijksbegroting én als grootste werkgever – en de bonden in de publieke sector. Daar zit het venijn, daar zitten de ideologische tegenstellingen tussen VVD en Partij van de Arbeid én daar doorkruisen de actiegerichte oplossingen van de Abvakabo de consensus. Recent voorbeeld: het bezette hoofdkantoor van het Amsterdamse zorgconglomeraat Amsta. De bond praktiseert de succesvolle strategie van de SP: belangenbehartiging op straat, met tomatensoep als opwarmertje.

De SP-strategie zorgt voor interne controverses bij AbvaKabo én politiek spierballen rollen. Op de besloten Bilderbergconferentie van VNO-NCW hield fractievoorzitter Diederik Samsom twee weken geleden een potig pleidooi voor een politiek-sociaal akkoord. „Falen is geen optie”, zei hij volgens de tekst op de PvdA-website. Maar met een verdeelde Abvakabo, een verzwakte FNV en een politiek onhandig kabinet zijn cheerleaders als Samsom en Wientjes niet genoeg voor een sociaal akkoord.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.