Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

Politiek

Waarom hebben we eigenlijk provincies?

Het kabinet wil het aantal provincies terugbrengen van twaalf naar vijf, met als eerste stap de samenvoeging van Noord-Holland, Utrecht en Flevoland. Met dat doel begon minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) vorige week aan een tournee die hij 28 maart afsluit in Emmeloord, de Noordoostpolder.

Dit is onderdeel van het „open overleg” dat de minister zegt te willen voeren met de betrokken provincies, inclusief hun bewoners, waartoe hij trouwens verplicht is nu de wettelijke procedure voor de fusie is begonnen.

Zonder twijfel zou Nederland, werd het nu gesteld voor de vraag wat een logische indeling in provincies zou zijn, andere en minder grenzen kiezen dan de grenzen die nu hoofdzakelijk op historische gronden zijn getrokken.

Maar daaraan gaat een vraag vooraf. Waarom zijn er eigenlijk provincies? Waarom worden zij bestuurd door politieke bestuursorganen die hoofdzakelijk uitvoerders zijn van beleid dat op landelijk niveau wordt uitgestippeld?

Regionalisering van het bestuur werd in Nederland jarenlang gedomineerd door het spookbeeld van een vierde bestuurslaag. Die moest er vooral niet komen. Drie bestuurslagen was mooi genoeg. Welnu, die vierde laag is er allang; het bestuur ervan zetelt in Brussel.

De minister ziet voor provincies vooral een coördinerende rol weggelegd, maar heeft in zijn pleidooi voor de samenvoeging niet duidelijk gemaakt waarom die niet onder de directe politieke verantwoordelijkheid van het kabinet zou kunnen worden gesteld.

De minister zal tijdens zijn tocht langs de provincie- en andere huizen nog wel meer weerstand ontmoeten dan hij deze week al kon ervaren in Utrecht. Zijn argumenten voor de samenvoeging maken geen sterke indruk. Dat de burger, zeker in de Randstad, ver van zijn provinciale bestuur afstaat, is zonder twijfel waar, maar niet valt in te zien dat zijn betrokkenheid groter zal worden als hij zich straks inwoner weet van de veel grotere provincie ‘Noordvleugel’, zoals de werktitel luidt. Potsierlijk wordt de argumentatie van de minister als hij beweert, zoals hij in een brief aan de provincies (en gemeenten) deed, dat hun belangenbehartiging bij handelsmissies, bijvoorbeeld naar China, zoveel efficiënter zal verlopen als hun aantal van twaalf naar vijf wordt teruggebracht.

Als de minister meent dat samenvoeging van provincies, net als de vorming van grotere gemeenten, de doelmatigheid van het bestuur dient, laat hij dan met concrete voorbeelden aantonen waar die winst is te boeken. En laat hij eerst de vraag beantwoorden naar het nut van provincies, in het Nederland van de 21ste eeuw.