Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

Economie

Vijftien jaar waren we dronken van geleende welvaart

Jaren leefden we op schulden, toen kwam de kater. Maar het positieve van het SNS-debacle is dat Nederlanders eindelijk wakker worden.

Nederland staat er gekleurd op. Drie van onze vier grootbanken konden de crisis niet op eigen benen trotseren. Twee ervan moesten zelfs genationaliseerd worden. Het ooit zo trotse financiële centrum is niet meer. Vijftigduizend banen weg, een jaar bruto binnenlands product van de bancaire balansen geschaafd. En wie hoopte dat het tij snel weer zou keren, is vorige week ruw ontwaakt. Met de nationalisatie van SNS Reaal en het roemloze einde van Holland Financial Center is de droom van financiële grandeur definitief in rook opgegaan. De Zuidas kan worden gesloten – wil de laatste bezoeker het licht uitdoen.

De belastingbetaler is de trotse bezitter van deze ruïne. Geen wonder dat de gemoederen hoog oplopen. Ook al is Sjoerd van Keulen een krabbelaar vergeleken met het spoor van vernieling dat bankenvorst Rijkman Groenink – de man van 27 miljoen euro – heeft achtergelaten, die eerdere ronde van injecties gebeurde tegen de achtergrond van een financiële implosie van tsunamiachtige proporties en dreigde niet één, maar tientallen banken onderuit te halen en overspoelde niet één, maar talloze economieën. Dat politieke excuus – van overmacht, kon-niet-anders, anders-zou-het-licht-zijn-uitgegaan – is er nu niet.

En dus is Van Keulen het haasje. Door zijn schrokkerigheid hebben u en ik weer een bank moeten redden. Door zijn zelfgenoegzaamheid is weer een bank ten onder gegaan aan risico’s die wij zouden mijden, maar die bankiers vóór 2008 begerig omarmden. In de jacht op de schatten van Van Keulen balt zich het chagrijn van jaren samen. Over bankiers en hun vorstelijke salarissen, over toezichthouders die erbij stonden en niets deden, over politici die recht praatten wat krom was.

Natuurlijk is het sneu voor Van Keulen dat nou juist hij de Bastille dreigt te worden waaraan het volk zijn revolutionaire wapens scherpt. Natuurlijk gaat Jelle Brandt Corstius met zijn lynchactie de perken te buiten. En natuurlijk geeft het geen pas om een foto van Van Keulens Larense boerderij met rieten dak groot op de voorpagina van een krant te zetten. Van Keulen symboliseert weliswaar de perverteringen van het Nederlandse kapitalisme, maar je kunt hem niet van alles de schuld geven. Zijn val mag dan illustratief zijn voor de crisis, de oorzaken en gevolgen reiken dieper en zijn groter dan deze man van 3,3 miljoen. En hoezeer ik het ook toejuich dat het volk eindelijk uit zijn comateuze sluimer is ontwaakt, de heksenjacht op Van Keulen dreigt het zicht te onttrekken op ons aller medeplichtigheid. Deze crisis is niet alleen en niet primair een crisis van een bedenkelijke bankiersmoraal, maar is een crisis van het schuld- en exportgedreven groeimodel waaraan wij onze welvaart van de laatste twee decennia danken.

Sinds de jaren tachtig luidt het Nederlandse antwoord op economische tegenwind: loonmatiging, loonmatiging, loonmatiging. Diep in het bestuurlijke DNA is de notie verankerd dat ons land een open handelsnatie is, die het leeuwendeel van haar welvaart in het buitenland verdient. Loonmatiging is een no-brainer, die zelfs de vakbeweging niet betwist. Wat goed is voor multinationals, is goed voor Nederland.

Dat het belang van het grootbedrijf steeds minder samenvalt met dat van Nederland; dat het grootbedrijf nauwelijks belasting betaalt; dat het grootbedrijf hier nauwelijks banen genereert; en dat het grootbedrijf steeds meer statenloos is geworden doet niet ter zake. Dat loonmatiging bedrijven lui maakt, concurrentievervalsing is, de belangrijkste oorzaak van de eurocrisis is, funest is voor de binnenlandse bestedingen evenmin. En zelfs het parasitaire roversnest dat woekert op de belastingverdragen voor Nederlandse multinationals zijn wij bereid te verdedigen tegen buitenlandse aanvallen, met een beroep op onze handelsgeest.

Tegenover het Nederlandse exportsucces staat binnenlandse verschraling. Wat het grootbedrijf won, verloren Nederlandse huishoudens. Kijk maar naar de arbeidsinkomensquote, die de verdeling uitdrukt van het nationaal inkomen tussen arbeid en kapitaal. Sinds 1993 is die geleidelijk gedaald van 85 naar 77 procent. En kijk maar naar de loonontwikkeling. Bedroeg die in de jaren zeventig tussen de 5 en 12 procent, sinds 1982 is die niet meer boven de 4 procent gekomen. Dankzij de exportsector.

Niet veel later is iemand op het lumineuze idee gekomen om dit te compenseren in de vermogenssfeer: iedereen z’n eigen huis. „Geprivatiseerd keynesianisme”, heeft de Britse socioloog Colin Crouch het gedoopt. Bij toeval ontdekt, werd het in die jaren meer en meer staand beleid.

Onder Paars I en II zijn de kredietverstrekkingscriteria voor hypothecaire leningen geleidelijk aan steeds meer verruimd. Twee inkomens mochten meetellen, arbeidscontracten voor bepaalde duur werden geaccepteerd, tophypotheken ter waarde van 125 procent van het onderpand werden doodgewoon en de toezichthouder stond zonder slag of stoot aflossingsvrije hypotheken toe. En De Nederlandsche Bank zag geen enkel probleem in securitisatie, een uit de Verenigde Staten overgewaaide financiële techniek voor het verpakken en doorverkopen van hypotheken, die banken in staat stelde meer kapitaal aan te trekken, hun balansen op te pompen en zichzelf steeds vorstelijker te belonen.

Het resultaat was ernaar. Sinds 1995 zijn de huizenprijzen verdriedubbeld. Uit diezelfde periode stamt de explosie van hypothecaire schulden. Bedroegen die midden jaren negentig nog pakweg 100 miljard euro, vijftien jaar later was dat geëxplodeerd tot 700 miljard. Waarmee Nederland de twijfelachtige eer heeft wereldkampioen hypotheekschuld te zijn. En gelijk op daarmee ging de explosieve groei van bancaire balansen. Van twee maal bbp in 1995 naar vijf maal bbp in 2008.

Fijn was deze schulden-huizen-boom voor wie vóóraan de rij stond, zoals ondergetekende, die in 1994 voor een habbekrats een appartement in de Amsterdamse Pijp kocht. Omdat het onderpand jaar op jaar in waarde steeg, was verhuizen een feest.

Als je alles bij elkaar optelt – makelaars, bouwsector, banken, notarissen, doe-het-zelfoutlets, designwinkels, Poolse klusjesmannen, aannemers, projectontwikkelaars, gemeentelijke grondbedrijven, keukenontwerpers, naaiateliers, meubelboulevards, verfwinkels, parketleggers, kraanverhuurders, betonstorters plus effecten in de vorm van de consumptie en belastinginkomsten die ze genereerde – durf ik de conclusie aan dat pakweg de helft van de Nederlandse economische groei tussen 1995 en 2008 direct of indirect voor rekening komt van het vastgoedcomplex en financiële complex en primair schuldgedreven was.

SNS is van dit perverse verdienmodel alleen maar het laatste, in het oog springende slachtoffer. Verplaats je eens in de situatie van diegenen die achterin de rij stonden voor een koopwoning. Die kunnen zich geen scheiding, geen ziekte, geen ongeluk, geen baanverlies permitteren. Zoals zij zijn er in Nederland 800.000 anderen. Of in die van de wethouder die moet korten op zijn onderwijsbudget, omdat hij moet afboeken op zijn grondposities. Of van de universiteitsbestuurder die personeel moet ontslaan omdat hij moet bijstorten op zijn derivaten.

Wij zijn vijftien jaar dronken geweest van geleende welvaart. Dit is de kater. Als de val Van Keulen ons dit doet beseffen, is hij niet voor niets geweest en was SNS die 3,7 miljard euro dubbel en dwars waard.

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam.