Ongeneeslijk

Maarten van Roozendaal zal nooit meer optreden, hij is ongeneeslijk ziek. Het nieuws viel me zaterdag rauw op het lijf. ,,De artsen geven geen prognose, maar Maarten zal niet meer aan het werk gaan’’, liet zijn management weten. De artsen stelden de diagnose longkanker.

Vijftig jaar, ,,veel te jong’’ dus. Ik zal hem als theaterbezoeker ernstig missen. Hij was voor mij de natuurlijke opvolger van Bram Vermeulen, die er ook al veel te vroeg – 57 jaar in 2004 – mee moest ophouden. ,,Een liedjesboer’’, noemt Van Roozendaal zichzelf. Ze waren liedjeszangers, singer-songwriters in de traditie van artiesten als Randy Newman, Jacques Brel, Tom Waits en Loudon Wainwright. Hun beste werk doet niet onder voor dat van deze buitenlandse grootheden.

Van Roozendaal zag ik in 2004 voor het eerst optreden in De Roode Bioscoop, een piepklein theater aan het Haarlemmerplein in Amsterdam. Het decor was nihil, de begeleiding sober, hij moest het vooral hebben van zijn indringende stem met die lichte braam erop, die in de loop der jaren sterker leek te worden.

Tussen de nummers nam hij een slok of rookte hij een sigaret. Hij gaf álles. Als luisteraar kreeg je het gevoel, schreef ik destijds, dat hij nog maar één avond te leven had en die avond graag met je wilde delen.

Hij zong veel over de vergankelijkheid van het leven, het is een van zijn grote thema’s. We zijn immers ,,doden met verlof’’, zong hij in zijn gelijknamige liedje: En dan lach ik/ En dan grijp ik je hand/ We bedrijven de liefde/ Of we doen weer alsof/ Ach, we zijn doden, m’n liefste/ Alleen maar doden, m’n liefste/ Doden met verlof.

In zijn voorlaatste programma zong hij samen met Paul de Munnik de liedjes van overleden collega’s. Daar was ook die schitterende tekst Dood zijn duurt zo lang van Willem Wilmink bij: Het is niet fijn om dood te zijn./ Soms maakt me dat een beetje bang./ Het doet geen pijn om dood te zijn/, maar dood zijn duurt zo lang.

Juist omdat die dood zo eindeloos is, valt er iets voor te zeggen om de aankondiging ervan zo lang mogelijk uit te stellen. Vroeger gebeurde dat doorgaans ook. Van publieke personen hoorde je bij geruchte dat ze aan een fatale ziekte leden, maar het nieuws werd zelden officieel bevestigd. Daar begint verandering in te komen. De betrokkenen maken bekend dat ze ongeneeslijk ziek zijn en praten er in het openbaar over.

Ik herinner me van de laatste tijd zulke interviews met Rutger Kopland (kort na zijn dood gepubliceerd) en Rascha Peper. Indrukwekkende gesprekken, maar ik kan me ook voorstellen dat je een tegenovergestelde keus maakt en als een zieke kat stilletjes in de verste hoek wegkruipt omdat niemand – afgezien van je dierbaren – iets met jouw lijden te maken heeft.

In dit verband denk ik aan het verschil tussen twee mensen die dagelijks een column in de krant schreven: Martin Bril en Jan Vrijman. Bril schreef uitgebreid over zijn naderende einde. Vrijman, die als ‘Journaille’ op de voorpagina van Het Parool stond, liet niets merken. Plotseling, op 10 mei 1997, stond er als titel ‘De laatste, denk ik’ boven zijn stukje.

Hij eindigde als volgt: ,,Aan het eind van mijn leven, begin van het sterven, kijk ik naar de grote vogel op de rand van mijn bed. Hij loert niet, hij waakt en wacht tot ik hem roep. Dit is, denk ik, mijn laatste Journaille. De geest wil nog wel, het lichaam weigert. Veel dank voor alle belangstelling.’’