Oerwoudgeluiden

Soms roept het napluizen van een woordgeschiedenis weerzin bij mij op. Dat is het geval bij het woord oerwoudgeluiden. Maar vanwege recente misdragingen door voetbalsupporters werd ernaar gevraagd.

Het woord geluid kennen we al sinds de Middeleeuwen, oerwoud blijkt verrassend jong. Het is pas in 1851 voor het eerst aangetroffen en is een vertaling van het Duitse Urwald.

Vraag iemand wat oerwoud betekent en je krijgt vrijwel zonder uitzondering een beschrijving van een tropisch woud, een rimboe of jungle, meestal in Afrika. In feite is de oorspronkelijke betekenis, aldus de Grote Van Dale, „woud dat door de natuur is ontstaan en in stand wordt gehouden en waarin geen kennelijke invloed van de mens is te bespeuren”. In de oudste bron is sprake van „een Amerikaansch Oerwoud”, in de VS.

De samenstelling oerwoudgeluid, die we vrijwel alleen in meervoud aantreffen, dateert uit het begin van de 20ste eeuw. In De Sumatra Post van 1916 lezen we over stoomboten in Rotterdam die hun scheepshoornen laten loeien. „Het leek, in den Oudejaarsnacht, of de schepen de Maas door uitzetting van hun stemmen – stemmen, ontzaglijk als oerwoudgeluiden – de leegte op de rivier wilden doen vergeten.”

In de jaren voor Tweede Wereldoorlog komen we het woord oerwoudgeluiden vooral tegen in besprekingen van muziek en films. Bij die muziek ging het meestal om jazz, indertijd vaak negermuziek genoemd. Tussen de films zitten er vanzelfsprekend een paar over Tarzan. Een filmrecensie uit 1934: „Gevechten tusschen negerstammen verhoogen nog de sensatie. Om alles heen dwarrelt een mengeling van allerlei geheimzinnige oerwoudgeluiden, die de juiste sfeer weten te treffen.”

Recensenten en brievenschrijvers houden lang een voorkeur voor het woord oerwoudgeluiden, vooral in verband met nieuwe muziek. Zo schreef Het Vrije Volk in 1957: „Ik heb het op TV kunnen zien. Onder het uitstoten van hese oerwoud-geluiden wrong Elvis-met-de-bakkebaarden zich achter de microfoon in duizend bochten, hij stiet zijn heupen naar voren en naar achteren....”

In de decennia daarna komen we het woord nog tegen in krantenartikelen over onder meer beatmissen, popmuziek en een cursus oerdansen (begin jaren tachtig).

Het weerzinwekkende gedeelte van deze woordgeschiedenis begint in de tweede helft van de jaren tachtig, als er steeds meer zwarte profvoetballers komen. We vinden oerwoudgeluiden voor het eerst in 1987, in verband met Stanley Menzo, afkomstig uit Suriname en indertijd keeper bij Ajax. Dat het niet bij het nabootsen van apengeluiden bleef als zwarte spelers aan de bal kwamen, blijkt uit een geruchtmakend interview met Menzo dat Frenk van der Linden in 1991 in deze krant publiceerde.

„Kankerneger, hoerenjong, pleurisnikker, baviaan, vuile jood – dat is zo ongeveer waarvoor ze me op de tribunes uitmaken. ‘Er staat een aap in de kooi’, ‘Apenheul, apenheul’ en ‘Rotaap, terug naar je hok’ zijn momenteel uit de mode, maar daarvoor in de plaats maken ze oerwoudgeluiden als ik iets doe wat ze niet bevalt. ‘Oe-oe-oe-oe’ hard en ritmisch. De koude rillingen lopen over je rug. Tot voor kort kreeg ik ook hele fruitmanden aan exotische vruchten in mijn nek gegooid. En pinda’s, ladingen pinda’s. Schijnbaar wordt dat zo langzamerhand te duur.”

Overigens is het maken van dergelijke oerwoudgeluiden – in feite apengeluiden – zeker geen exclusief Nederlandse supportersgewoonte. Het komt in veel landen voor, nog altijd. Dat maakt het natuurlijk niet minder weerzinwekkend of beschamend.

Taalhistoricus en journalist Ewoud Sanders schrijft wekelijks op deze plek over taal.