Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Rampen

Mobieltje is de beste gids na ramp

Na een ramp komt informatie veel sneller beschikbaar via ieders mobiele telefoon dan via officiële hulpverleners.

Hulpverlening via mobieltjes had ook na storm Sandy de ontwrichting kunnen beperken.
Hulpverlening via mobieltjes had ook na storm Sandy de ontwrichting kunnen beperken. Foto AP

„Het is een misvatting dat mensen die een grote ramp meemaken in paniek raken”, zegt rampenonderzoeker Lucy Gunawan. In rampenfilms, ja, maar niet in het echt. „Onderzoek leert dat mensen elkaar juist helpen, vindingrijk en veerkrachtig zijn, geen hulpeloze slachtoffers.”

Gunawan (1978) promoveerde vorige week aan de TU Delft op een methode waarmee mensen in het rampgebied met mobieltjes hun rampgebied in kaart brengen. En daarna krijgen ze informatie terug via de mobiele telefoon: route-aanwijzingen naar veilige gebieden of hulpposten.

„Na grote rampen als aardbevingen en overstromingen is de situatie onzeker en onoverzichtelijk”, zegt Gunawan. Wegen raken onbegaanbaar, gebouwen staan op instorten, de situatie verandert van uur tot uur. Hulpdiensten hebben grote moeite om de binnenkomende informatie te controleren, centraal te verwerken tot een kaart, en om die informatie weer door te spelen aan hulpverleners en bewoners. Ook omdat hun eerste taak mensen helpen is.

Onderzoekster Gunawan testte het idee om het verzamelen van betrouwbare informatie uit te besteden aan mensen die toch al in het rampgebied zijn. De vuurproef van haar systeem was een nagespeelde aardbeving waarbij 72 vrijwilligers zich met hulp van haar rampen-app een weg moesten banen door een ‘rampgebied’, de campus van de TU Delft.

Onderweg moesten ze doorgeven of ze een geblokkeerde weg tegenkwamen, of een gebouw dat zo te zien op instorten stond. Bij gebrek aan echte rampschade hadden de deelnemers een boekje bij zich waarin bijvoorbeeld stond dat de aula scheef hing. „Het was een erg leuke dag”, zegt Gunawan over de blijkbaar nogal gestileerde catastrofe, „de sfeer was een beetje die van een speurtocht.” Toch denkt ze dat de werkelijkheid niet wezenlijk geweld aangedaan werd. „Het ging vooral om het doorgeven van informatie.”

De resultaten van de gecrowdsourcete rampenkaart vergeleek ze met een traditioneel gemaakte kaart. Die kwam uit handen van een goed-ingewerkte operator, die binnenkomende telefoontjes verwerkte. Die informatie ging terug via de radio. De mensen in het rampgebied probeerden zich met papieren kaarten te oriënteren. Gunawan: „Met de mobieltjes ging het beter, zeker als je ook methoden gebruikt om in te schatten hoe betrouwbaar de rapportages zijn.”

Maar is juist het mobiele telefoonnetwerk niet een van de eerste slachtoffers van grote rampen, door het wegvallen van elektriciteit of overbelasting? „Niet altijd”, zegt Gunawan, „en je kunt snel een noodnetwerk op te zetten.” In de toekomst komen daar mogelijk ook peer to peer-netwerken bij, waarin mobiele telefoons direct met elkaar communiceren (zie kader: internet onder mobieltjes).

In haar jeugd in Indonesië was voor Gunawan de dreiging van een ramp nooit ver weg. „We woonden vlak bij de actieve vulkaan Merapi. Daar waren ook aardbevingen. Dan ren je meteen naar buiten. Bij een grote aardverschuiving kwamen ook mensen uit ons dorp om. Die ervaringen hebben me wel op dit spoor gezet. Ik wilde mensen helpen.”