Opinie

Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.

Zorg

Carnaval

Den Bosch is mijn geboortestad. Op mijn vierde verhuisden we naar een dorp bij Eindhoven. Daar wisten ze volgens Bosschenaren niet hoe je carnaval viert. In Eindhoven zeiden ze dat ook over Den Bosch, want het hoorde bij Brabant om elkaar een beetje af te zeiken – zoals het permanent benoemen van het andere daar heet. Ik vertrok opgelucht naar de Randstad. Een jaar of vijftien later was het afzeiken nationaal tijdverdrijf.

Nu stond ik bij de carnavalsoptocht in Den Bosch – te verlegen met mijn terugkeer om zo jofel over ‘Oeteldonk’ te spreken als minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, geboren in Den Haag). Die zette zelfs zijn thermisch carnavalsondergoed op Twitter.

Wat je draagt doet er wel degelijk toe. In Den Bosch is dat een boerenkiel. Daarboven een das in de kleuren rood, wit en geel en verder niet te veel onzin. Uitbundig verkleden is voor Eindhovenaren en de Randstedelingen die de sfeer op carnavalszaterdagen verpesten. In de woorden van het weblog ‘Bosschebabbels’: „Een nare spanning lag als een deken over de straten, die bevolkt werden door rellerige bananen, cowboys, piraten, soldaten en voetballers.”

Ik droeg gewone kleren, vastbesloten de onvermijdelijke spot wegens ‘spatjes’ (Brabants voor hoogmoed) met opgeheven hoofd te dragen. Want al had ik dan geen boerenkiel meer in huis: ik was niet teruggekeerd als banaan.

Het was een optocht met diverse Lance Armstrongs en veel woordspelingen op Vijftig tinten grijs:

„Drie tinten Oeteldonk.”

„Vijftig tinten rood wit geel.”

„Altijd prijs met Vijftig tinten grijs.”

En toen moest Epke Zonder Hand nog komen.

En ja hoor: een man, zelf verkleed als ‘bodemloze put’, sarde: „Wat doe jij hier? Heb jij een weblog, of zo!?” Tegenover me dronk een jongen met het syndroom van Down met aandacht een biertje. Na elk slokje keek hij even verrukt in het schuim. Hij droeg zijn carnavalsdas met verve – ik ging er ook een kopen: drie kleuren ‘saamhorigheid’ en niemand die nog op je lette.

Bij de dassenkraam stond het nieuwste type Randstedeling: drie vrolijke mannen, net een jaar over uit India, die van de kunst je aan te passen hun beroep hadden gemaakt. Anant (25), Mukesh (30) en Ramanathan (30) bleken management consultant bij KPMG in Amsterdam en een paar andere bedrijven. Ze adviseren over zaken doen met India, vertelde Ramanathan. Ze leggen bijvoorbeeld uit dat de ‘directheid’ waar Nederlanders buitengaats om bekend staan, vooral gevolg is van hun slechte Engels. Maar die directheid zélf, zei hij, die is schijn.

Ramanathan droeg een aandoenlijk indianenpak. Trefzeker sloeg hij zijn nieuwe das om, grijnsde als een carnavalsprins en verklaarde: ,,In their own language, Dutch people speak fifty shades of direct.”

Volmaakt waargenomen.

Margriet Oostveen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen.