Zoetje

Wat buitenlanders leuk vinden als ze Nederlands leren: dat Nederlanders zo veel verkleinwoordjes gebruiken. Er zit een lekker knispertje in die taartbodem Wat Nederlanders irritant vinden aan andere Nederlanders: dat ze zo veel verkleinwoordjes gebruiken. Of het nu charmant of juist irritant is: het is geloof ik wel waar. Er zijn mensen (vrouwen) die in

Wat buitenlanders leuk vinden als ze Nederlands leren: dat Nederlanders zo veel verkleinwoordjes gebruiken.

Er zit een lekker knispertje in die taartbodem

Wat Nederlanders irritant vinden aan andere Nederlanders: dat ze zo veel verkleinwoordjes gebruiken.

Of het nu charmant of juist irritant is: het is geloof ik wel waar. Er zijn mensen (vrouwen) die in elke zin drie verkleinwoordjes, pardon verkleinwoorden, gebruiken. „Ik had dropjes meegenomen voor mijn collegaatje omdat ze me laatst naar zoooo’n schattig winkeltje had meegenomen.”

Een specifiek soort verkleinwoord is het verkleinde bijvoeglijke naamwoord. Zo op het eerste gezicht lijkt het alsof dat niet kan. Maar denk aan het zoetje, de deprimerende suikerklontjesvervanger (hou dan helemáál op met zoet, denk ik altijd als ik iemand zuchtend een zoetje in de koffie zie laten vallen.)

Maar ‘zoetje’ heeft aan betekenis gewonnen. Ik denk dat het een jaar of tien geleden was dat ‘lekker eten’ een nieuwe religie werd. Een nieuwe religie heeft hoge priesters nodig, en dat zijn de mensen die tegenwoordig ‘foodies’ genoemd worden. Natuurlijk moeten de foodies laten weten dat ze foodie zijn. Dat doen ze veelvuldig door middel van het verkleinde bijvoegelijke naamwoord. „In die saffraansaus zit een heel verrassend zoetje, en dat doet het natuurlijk goed als tegenhanger van het zuurtje.”

„Hm, klopt. Maar ik proef ook een bittertje.”

„Ja, dat is dan weer een antwoord op het zoetje.”

Bijna elk bijvoeglijk naamwoord kun je op deze manier verkleinen tot een zelfstandig naamwoordje. Als het maar positief is voor het eten. Wat bijvoorbeeld nooit zou kunnen is: „Ik proef een ransje in de boter. En ook een mufje in het brood.” Verkleinwoorden zijn kooswoorden, en die dienen dus opbouwend van aard te zijn.

In dezelfde sfeer van religieus/liefkozend praten over eten, worden ook werkwoorden vervormd en verkleind. „Er zit een lekker knispertje in die taartbodem”, hoorde ik laatst. „Echt een knappertje, zeg maar. Hoe krijg je dat toch voor elkaar?” Alle verkleinwoorden in de culi-taal zijn bedoeld om elkaar te voeden met recepten en adressen van restaurants.

Opmerkelijk is dat er twee verkleinde woorden zijn die nooit culinair verheven worden, terwijl je dat op het eerste gezicht wel zou verwachten. Dat zijn ‘zoutje’ en ‘knabbeltje’. Die zijn te sterk in hun oorspronkelijke betekenis en blijven dus altijd zichzelf.