Ontwikkelingshulp blijft nodig in Mali

Louise Fresco noemt het naïef om het noorden van Mali nog waterputten te geven. Dit is onzin, vindt Esther Bakker – die hulp behelst nog wel wat meer.

Drie jaar geleden interviewde ik Herela Ag Adbaly, de bejaarde Toearegchief van een dorpje bij Timboektoe. Hij vertelde dat zijn dorp twee keer noodgedwongen was verplaatst, omdat de zandduinen oprukten. Een herbebossingproject van een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie moest een derde keer voorkomen. Van zijn jeugd herinnerde de chief zich watervlaktes vol steltvogels en overal giraffes en gazelles. „Ik heb het gevoel dat we langzaam van de rand van de aarde worden geduwd”, sprak hij apocalyptisch.

Louise O. Fresco beschuldigt minister Ploumen (Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) van naïviteit (Opinie, 30 januari). Ploumen wil onderzoeken hoe de Nederlandse inspanningen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in Mali kunnen worden vergroot. Fresco schrijft: „Hoe naïef kun je zijn [...]. Denken we echt dat we zo ‘duurzame vrede’ brengen bij Al-Qaeda-achtige terroristen? De groepen waarmee we in de Sahel te maken hebben, zijn geen arme boerinnen zonder waterputten maar getrainde strijders [...].”

Natuurlijk zijn de Algerijnse Al-Qaedacellen die huishielden in het noorden van Mali niet te paaien met waterputten, en de werkloze Toeareghuurlingen van Gaddafi zullen evenmin tevreden zijn met een cursus alfabetisering, maar deze rebellen zijn geen geïsoleerde groepen zonder bedding. Zonder steun van de bevolking waren ze nergens.

Het noorden van Mali klaagt al decennialang dat het wordt achtergesteld. Het hulpgeld en de staatsinkomsten van goudmijnen gaan eerst naar het zuiden en zouden maar mondjesmaat naar het noorden gaan. De overheid is afwezig in de regio en centreert zich in de hoofdstad Bamako. Er zijn minder scholen en dokters. Politiek heeft het dunbevolkte gebied weinig in de melk te brokkelen. Het lijdt onder hongersnoden – zo is in 2011 veel vee omgekomen. De regering in Bamako stond erbij en keek ernaar.

Een paar jaar geleden betrad de uit Algerije gegooide Al-Qaedagroep AQMI het toneel. In de woestijn van Mali vonden de terroristen een veilig onderkomen. Dit was mogelijk doordat het nationale leger het gebied niet controleerde, maar zeker ook doordat de bewoners niets te verwachten hadden van de regering in Bamako.

De nieuwe club verdiende bakken met geld met het smokkelen van mensen en harddrugs naar Europa en kidnapte zo nu en dan een westerling. Toeareg verleenden hand en spandiensten. Zonder baan en vooruitzichten was het verleidelijk om water, voedsel of benzine te brengen naar gulle smokkelaars, zeker omdat AQMI onderwijs en gezondheidszorg tot stand bracht in de woestijn en vluchtelingenkampen. Oorlog voeren via ontwikkelingssamenwerking hebben deze woestijnbandieten allang uitgevonden.

In 2010 ging Nederland samenwerken met ngo’s en collega-donorlanden, in een poging de destabilisering van het noorden tegen te gaan. Een ring van klinieken, scholen, agrarische en decentralisatieprojecten moest dit probleem een halt toeroepen. Ontwikkelingssamenwerking houdt zich allang niet meer bezig met het slaan van waterputten, dat flauwe voorbeeld van Fresco. Het gaat over toegang tot de spreekwoordelijke waterput: het kapitaal van Mali. De ingreep kwam te laat, zoals iedereen heeft gezien.

De strijd tegen de woestijnguerrilla’s zal ingewikkeld en langdurig zijn. Belangrijker voor de vrede is zeggenschap voor de mensen in het noorden, welvaart, banen, bomen om de verwoestijning tegen te gaan, alfabetisering van de noorderlingen en emancipatie van vrouwen.

Het noorden van Mali is geen wild, getraumatiseerd en hopeloos ‘Malistan’ vol fundamentalisten. Het land kent geen geschiedenis van bloederige oorlogen. De littekens van het afgelopen jaar zijn niet te diep om te genezen. Er is hoop voor Mali, en daar kan ontwikkelingssamenwerking bij helpen.

Ik weet niet wat er is gebeurd met het dorp van Herela Ag Adbaly. Hopelijk is het dit jaar niet bedolven onder zand.

Esther Bakker is freelancejournalist, woonde en werkte drieënhalf jaar in Mali en schreef Mali, uit de Landenreeks van het KIT.