Met verf tot nieuw leven gewekt

We mogen elkaar dan nog zo vaak fotograferen, het geschilderde portret zal die orkaan doorstaan. Voor de televisieserie Sterren op het doek draafden vorig jaar maar al te graag BN’ers op – om te poseren en om een doek mee naar huis te nemen. En de NOS-oproep om koningin Beatrix te portretteren ter ere van haar 75ste verjaardag bleek goed voor ruim 2.000 kunstwerken, waarvan er nu 75 in Paleis Het Loo hangen.

Op al die recente portretten ontbreekt iets: en dat is de ander. Van de 16de tot en met de 20ste eeuw lieten personen, gezinnen en gezelschappen zich in Nederland niet zelden vereeuwigen met een schilderij, een medaillon, een borstbeeld of een ets. Dat ‘secundaire portret’, vaak een postuum aandenken, gaf blijk van verbondenheid, liefde, verdriet, bewondering of schatplichtigheid. Het bijbelse gebod ‘eert uw vader en uw moeder’ werd schilderkunstig volop nageleefd.

Aan dit in Nederland onontgonnen subgenre is het forse Portret in Portret gewijd, een hommage aan Rudi Ekkart, portretspecialist, en vertrekkend directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag. Het chronologisch opgezette boek begeleidt weliswaar als catalogus een tentoonstelling in Dordrecht, maar zoveel Nederlandse kunstspecialisten hebben zoveel speurwerk verricht naar de identiteit van dat ene minuscule portretmedaillon of een schimmige gravure van een voorouder, dat de Dordtse bezoeker zonder dit naslagwerk veel kan ontgaan.

De luxe van een goed gelijkend portret was voorbehouden aan de gegoede burger. En die varieerde van de eerste krantenuitgever in Europa, de Haarlemmer Abraham Casteleijn – in 1663 op een tekening flamboyant neergezet met een buste van boekdrukpionier en stadgenoot Laurens Jansz Coster – tot en met de in rood fluweel en juwelen gestoken verzamelaarster Lucretia Johanna van Winter, toen eigenaresse van ‘Het melkmeisje’ en ‘Het Straatje’ van Vermeer. Ze trouwde in 1822 met jonkheer Hendrik Six van Hillegom, in wiens collectie haar 171 schilderijen opgingen. Aan een gouden ketting in haar hand laat Lucretia het miniatuurportret van haar zoontje bungelen. Haar later doodgeboren tweeling liet ze op sterk water zetten, zodat haar afwezige echtgenoot de kinderen alsnog te zien kreeg. Dan toch maar liever een miniatuur.

Vooral in de 16de en 17de eeuw staan nogal wat familieportretten vanwege de hoge kindersterfte in het teken van rouw. Het dode kind werd opgenomen in het gezin. En soms is het in verf zo knap tot leven gewekt, dat de dood ontkend lijkt, zoals op het 16de-eeuwse paneel van de familie Francken, geschilderd door de vader. Gehuild werd er zichtbaar niet, dat kwam pas in de Romantiek uitentreuren en vogue. Bijna geestig is in dit verband het verschijnsel dat als de weduwnaar zich met zijn tweede echtgenote liet schilderen, het portret van zijn in het kraambed gestorven vrouw, zichtbaar op de achtergrond, achter een gordijntje werd verstopt. Niet om het zoals gebruikelijk tegen stof of vuil te beschermen, maar om haar ‘nabijheid te doseren’.

Achter elk van de ruim honderd, vaak minder bekende kunstwerken, ook uit particuliere collecties, schuilen steeds drie, met elkaar versmolten verhalen; over de maker, de geportretteerde(n) en over diegene die als kleine afbeelding moest worden geïdentificeerd. Lees je die verhalen dan krijg je bijvoorbeeld medelijden met Maria Anna van de Palts-Neuburg, die in 1690 per schip op weg naar Madrid pontificaal in Dordrecht poseerde. Ze kende haar aanstaande echtgenoot die in het medaillon op haar borst troont, alleen bij naam: Karel II van Spanje. De man was toen al ‘verlamd, epileptisch, kaal, vrijwel tandeloos, slechtziend, doof en bijna seniel’. Tel uit je winst!

En wie zou zomaar weten dat te midden van de 18de-eeuwse, bepruikte overlieden van het Amsterdamse chirurgijnsgilde de klokkenluider werd geëerd die de voorgangers van die lieden als oplichters had ontmaskerd?

Natuurlijk komen er veel triomfantelijke stadhouders, adellijke families en de drie recente vorstinnen voorbij, meestal geportretteerd in het gezelschap van voorouderportretten, om de genealogische continuïteit te illustreren: ‘van eenen stam, van eenen geest’. Onderschat ook het propagandistische motief niet, zoals dat ook spreekt uit de aan artsen en kunstenaars vergeven vorstelijke penningen. Die heren – geen dame gezien – konden, afgebeeld met zo’n gouden mini-vorstenhoofd hun maatschappelijke aanzien opkrikken.

Je krijgt de indruk dat menig schilder nóg meer zijn best deed wanneer hij zichzelf onder handen nam in gezelschap van gezin, muze, leermeester of vrienden. Om marketingredenen: ‘bestel uw portret bij mij, kijk eens hoe goed ik ben!’ Soms verdrong de liefde het ego, zoals schilder Jan de Baen bewijst met een innig dubbelportret (1660), waarop zijn Maria het miniatuurportret van hun sprankelende dochtertje Wilhelmina aan ons laat zien.

Portret in portret – in het geheim tot stand gekomen – is een rijk boek, dat doorloopt tot Mondriaan, Charley Toorop, Roger Raveel en Siegfried Woldhek. De vier essays en de ruim honderd achtergrondverhalen bij evenveel paginagrote reproducties, stellen alle facetten van het ‘secundaire portret’ oerdegelijk aan de orde. En mede dankzij de bijgevoegde uitvergrotingen staat ‘de ander’ nu even in de schijnwerpers – met alle ontdekkingen van dien.

Dordrechts Museum: Portret in portret. T/m 7/4. Paleis Het Loo: Beeld van Beatrix. T/m 20/5.