In de klauwen van de coke-maffia

In drie romans wordt de rekening opgemaakt van het drugsgeweld in Colombia. Een episch debuut, een parabel en een puzzeltocht.

Zo’n 45 kandidaten overleefden anderhalf jaar geleden in Colombia hun campagne voor de plaatselijke en regionale verkiezingen niet. De plaatselijke media maakten er met enige opluchting melding van. Slechts 45 dode politici. Het ging de goede kant op. Met de economie van Colombia gaat het nu voorspoedig, al blijft het drugsgeld een verstorende factor. De zittende president Santos doet het verrassend goed. De ergste uitwassen van het drugsgeweld hebben zich verplaatst naar Mexico. Zelfs met de guerrillabeweging FARC zijn er onderhandelingen gaande. Intussen worstelt het land nog wel met miljoenen ontheemden, en blijft de kloof tussen schatrijke grondbezitters en berooide boeren bijna onoverbrugbaar.

Langzaamaan begint Colombia de balans op te maken van de verschrikkelijke jaren tachtig en negentig, toen het land wankelde op de rand van de afgrond. De kartels van Cali en Medellín, met de in 1993 gedode Pablo Escobar als bekendste figuur, ondermijnden de samenleving moreel, economisch en politiek. ‘Wie in dit land niemand heeft gedood, heeft geen toekomst’, laat Sergio Álvarez een van de hoofdpersonen van zijn onlangs vertaalde roman 35 Doden zeggen. Dat was de basisregel die de carrousel van mateloos geweld en fabelachtige rijkdom gaande hield.

Ook in de Colombiaanse literatuur is het opmaken van de rekening begonnen. Álvarez’ internationaal gelanceerde debuutroman is geschreven als een caleidoscoop waarin je via de levens van een handvol protagonisten het land langzaam in chaos ziet verzinken.

Zelfontplooiing

Het begint in de jaren zeventig tamelijk onschuldig. De idealen van mondigheid, (seksuele) bevrijding en zelfontplooiing vinden ook in Colombia weerklank. Daar horen geestverruimende middelen bij, en dan gaat het van kwaad tot erger. De geweldsexplosie die daarop volgt komt echter niet uit de lucht vallen, zo suggereert Álvarez. Hij begint en eindigt zijn boek met de dood van een bandiet die halverwege de jaren zestig in een ware veldslag met de politie het leven laat. Wreedheid en geweld horen bij het land, zo lijkt de auteur met deze roman te willen zeggen.

Dat moge waar zijn of niet, Álvarez heeft met zijn boek een dappere poging gedaan het recente verleden van Colombia in één groot, episch opgezet verhaal te vatten. Dat dat jammerlijk mislukt ligt niet aan de ambitie van de auteur, maar aan zijn literaire onvermogen. 35 Doden is geschreven in een tenenkrommende bakvissenstijl waarin slechts plaats is voor het wrede en het zoetelijke, het tuttigste en het schokkende boem-boemeffect. Dan is een boek van 500 bladzijden heel dik.

Even pessimistisch is de wat jongere Colombiaanse schrijver Antonio Ungar. Zijn roman De presidentskandidaat is een farce-achtige parabel over een land met de sprookjesachtige naam Miranda. Wanneer daar de oppositieleider vermoord wordt, moet een schlemielige dubbelganger zijn plaats innemen om ernst te maken met de strijd tegen de corruptie.

Ungar vertelt de kolderieke verwikkelingen die daaruit voortvloeien met smaak, maar de ontknoping blijft wrang. Uiteindelijk wil ook de ‘Mirandese’ oppositie alleen maar alles veranderen om alles bij hetzelfde te laten en is er voor de dubbelganger na het uitspelen van zijn rol geen plaats meer.

Ungar is zonder twijfel een belofte voor de Colombiaanse literatuur. Dat De presidentskandidaat de complexe werkelijkheid iets te gemakkelijk laat verdwijnen achter de wetten van het genre valt het boek niet aan te rekenen, maar maakt wel de grenzen ervan duidelijk.

De subtielste reflectie op de recente Colombiaanse geschiedenis is vooralsnog te vinden in Het geluid van vallende dingen van Juan Gabriel Vásquez. Vásquez, net als Ungar geboren in de vroege jaren zeventig, is de vooraanstaandste Colombiaanse schrijver van zijn generatie. Zo’n tien jaar geleden brak hij door met zijn verbluffende roman De informanten, waarin gevluchte nazislachtoffers na de oorlog oog in oog kwamen te staan met hun vervolgers, op hun beurt uit Europa weggevlucht.

In Het geluid van vallende dingen heeft Vásquez een recentere periode uit de Colombiaanse geschiedenis opgezocht, ongeveer dezelfde als bij Álvarez. Maar waar die laatste het zoekt in de breedte en in het spektakel, daar vertelt Vásquez een ingehouden verhaal met twee of drie centrale figuren en een overzichtelijk plot. Eenvoudig is het boek daarmee allerminst. Het leest als een puzzeltocht waarin brokstukjes van het verleden gaandeweg op hun plaats vallen en de nationale tragedie indirect in het lot van Vásquez’ protagonisten doorschemert.

Alles begint wanneer de jonge literatuurdocent Antonio Yammara op straat wordt neergeschoten. Kort daarvoor heeft hij de iets oudere Ricardo Laverde leren kennen, een biljartmaatje met een schimmig verleden. Laverde, voor wie de kogels bedoeld waren, overleeft de aanslag niet. Yammara herstelt, maar houdt er een blijvend trauma aan over. Later probeert hij te achterhalen wie er achter de aanslag zat.

Piloot

Stukje bij beetje ontrafelt hij de tragedie van Laverdes leven en diens betrokkenheid bij drugstransporten naar de VS. Net als bij Álvarez begint alles ook hier allemaal tamelijk onschuldig. Als piloot kan Laverde in het begin van de jaren zeventig wat bijverdienen met goederentransporten. Al snel blijkt het vervoer van cannabis het eigenlijke oogmerk te zijn.

Dan volgt de grote sprong voorwaarts. Met cocaïne zijn miljoenen te verdienen. Maar al op zijn eerste vlucht wordt Laverde door de pas opgerichte DEA (Drug Enforcement Administration) gearresteerd. Voor twintig jaar verdwijnt hij in de gevangenis. Wanneer Yammara hem ontmoet, is hij net vrijgekomen en verheugt hij zich op het weerzien met zijn Amerikaanse vrouw. Maar het noodlot wil dat die omkomt bij een (werkelijk gebeurd) vliegtuigongeluk. De conversatie in de cockpit (op internet woordelijk terug te vinden) speelt een belangrijke rol in de roman én in Yammara’s zoektocht naar Laverdes verleden.

Ironie is een belangrijk element in Vásquez’ verhaal. Soms is die geestig, zoals wanneer hij Lavardes vrouw Elaine Fritts laat klagen over een roman die zij, als Amerikaans vrijwilligster worstelend met het Spaans, van haar Colombiaanse gastheer cadeau krijgt. Het boek valt het haar bitter tegen. Ze vindt het ‘onzinnig en uit de lucht gegrepen’, om nog maar te zwijgen van de hoogdravende titel: Honderd jaar eenzaamheid.

De ironie van Vásquez’ geschiedschrijving steekt echter dieper en is wranger. Want al snel wordt duidelijk dat de cannabisteelt in Colombia aanvankelijk is opgezet door vrijwilligers van het Amerikaanse Peace Corps waar ook Elaine deel van uitmaakt. Zo zouden de boeren eindelijk aan hun armoedeval kunnen ontsnappen, zo maakt een van haar medevrijwilligers duidelijk. Dat daarmee een veel grotere val wordt opengezet, blijkt wanneer diezelfde vrijwilliger vermoord wordt teruggevonden, hij was diep verwikkeld in de cocaïnehandel.

Als romanlezer vraag je je af wat je van een dergelijk plot moet denken. Ook Álvarez laat de cokemaffia voortkomen uit de handel in cannabis. Maar hoe zit het met de connectie met dat idealistische Peace Corps, ooit door Kennedy opgezet ter verbroedering der volkeren? Als ze waar is, krijgt de hele geschiedenis iets van een bittere tragikomedie.

Vasquez’ drama via de levens van Yammara, Laverde en Elaine Fritts maakt meer duidelijk over de ongelukkige geschiedenis van Colombia dan het caleidoscopische epos van Álvarez. Het geluid van vallende dingen is minder imposant dan Vasquez’ debuut, maar het is nog altijd een bovengemiddeld goede roman.