Hij klinkt als een kasteelheer aan de opium

Zijn debuut-cd komt volgende week uit, maar hij wordt nu al bejubeld. De Nederlandse Jacco Gardner (24) haalt zijn inspiratie uit de late jaren zestig.

Nederland, Nijkerk, 22 januari 2013 Jan Audier (l) met Jacco Gardner Foto: Merlijn Doomernik Merlijn Doomernik

Volgens de Nederlandse popmuzikant Jacco Gardner (24) beleefde de popmuziek rond 1966/’67 haar creatieve hoogtepunt. Gardner: „Het was een fantastische tijd omdat de toekomst nog onvoorspelbaar was. Niemand wist welke kant de muziek op zou gaan. Muzikanten experimenteerden erop los en zelfs de meest bizarre vondsten werden een hit. Grote platenmaatschappijen brachten allerlei experimentele lp’s uit want je wist nooit of er misschien toch geld mee te verdienen was. The Beatles maakten rond die tijd muziek die drie jaar tevoren nog als absurd beschouwd zou zijn en waren succesvol.

„Maar even later, begin jaren 70, dacht men te kunnen voorspellen wat succesvol zou zijn. Daar speelden zowel muzikanten als platenmaatschappijen op in. Zo werd de muziek weer getemd.”

Van zanger/muzikant Jacco Gardner verschijnt volgende week de cd Cabinet Of Curiosities. Op dit debuut klinkt Gardner als een kasteelheer aan het klavecimbel, maar dan wel een kasteelheer die aan de opiumpijp heeft gehangen en zijn zinsbegoochelingen in muziek vertaalt. Gardner maakte hallucinerende popparels met barokke melodieën waarin details tot op de millimeter zijn uitgewerkt. Hij zingt met licht onvaste maar deftige dictie, wat de decadente sfeer nog versterkt.

De combinatie van klavecimbel, klokkenspel, speelgoedpiano, elektrische gitaar, akoestische gitaar, bas, drum en ijselijke achtergrondkoortjes omschrijft hij zelf als ‘sprookjesachtig’; muziek om mee te ontsnappen uit het dagelijkse bestaan. Hoe escapistisch ook, het symfonische sprookjesbos van Gardner is niet lieflijk. Daarvoor zorgt het spookachtige geluid van de mellotron – een ouderwetse sampler die bibberige viool- en fluitpartijen voorbrengt.

Nog voordat Gardners cd is uitgebracht, hebben zijn singles al opvallend veel enthousiasme gewekt in Nederland, Engeland en Amerika. Zo lijkt zijn carrière enkele stappen over te slaan: de Engelse krant The Guardian en het tijdschrift New Musical Express jubelen over zijn uitzonderlijke liedjes; Gardner vertrekt eind deze maand voor een uitgebreide tournee door Amerika.

Zijn liedjes maakte Gardner in zijn eentje, in zijn studio in Hoorn. Afgezien van de drums speelde hij alle instrumenten en deed de productie zelf. Maar zijn plaat had nooit het door Gardner zo gewaardeerde zweem van de jaren zestig gekregen als hij niet technicus/producer Jean Audier (72) had ontmoet.

Ze leerden elkaar twee jaar geleden kennen. „Ik studeerde productie en muziektechnologie, aan de HKU in Utrecht. Voor mijn afstudeerproject concentreerde ik me op de Nederlandse muziekproductie rond ’66, ’67”, zegt Gardner, aan tafel bij Jean Audier. „Toen werd in Nederland baanbrekende muziek gemaakt, door bands als Q65, Cuby & The Blizzards, The Motions. Ik wilde zo veel mogelijk te weten komen over de techniek en apparatuur waarmee destijds gewerkt werd, om dat vervolgens op mijn eigen muziek toe te passen.”

Audier: „Jacco had een boek gelezen over Q65, waarin ik als geluidstechnicus genoemd werd. Hij stuurde een mail naar de uitgever: ‘Jean Audier, leeft die nog?’” Audier lacht smakelijk. „Ineens stond die gup voor mijn neus en wilde alles weten over hoe het ging in de jaren zestig.”

Vanaf 1962 werkte Jean Audier als technicus in de Phonogram Studio in Hilversum, en later in de Soundpush Studio in Blaricum. „Mijn eerste klus als technicus was een opname voor Q65. Geen van de andere technici in de studio wist raad met dat langharig tuig, dus ze zeiden ‘Laat Audier het maar doen’. Ik was begin twintig en zat ineens in de beste studio met de beste apparatuur. Ik probeerde alles uit, ik stelde de microfoons op een afwijkende manier op en liet gitarist Frank Nuyens zijn versterker op tien zetten, dat ‘scheurde’ zo lekker. Collega’s klaagden over de vervorming van het geluid. Ja, dat was juist de bedoeling. Die vogels van Q65 waren veel te hip voor de studiomensen in hun pak en stropdas. Maar dat nummer, ‘You’re The Victor’, werd wel een hit. Daarna kreeg ik al het andere moderne volk ook toegeschoven, groepen als The Motions en The Golden Earrings, en Zen.”

Gardner: „Mijn afstudeerscriptie draaide specifiek om het scharnierpunt 1966/’67. Het luistert nauw: ’66 is geen ’65 want de technische ontwikkelingen gingen destijds razendsnel. Het aantal opnamesporen nam toe, nieuwe effectapparatuur werd uitgevonden. Het muzikale omslagpunt lag rond 1966/’67, omdat op dat moment veel dingen samenkwamen, zowel op gebied van techniek als op maatschappelijk terrein, zoals drugs en jeugdcultuur.

„Daarvoor golden in een studio strikte regels: ieder apparaat moest eerst technisch gekeurd, technici droegen stofjassen. De studio werd beschouwd als een laboratorium. Maar rond 1966 brak de vrijheid door. Regels werden overboord gezet, experiment kreeg de vrije teugel. Op terrein van muziek, kleding, gedrag, drugs, techniek.” Audier: „Dat had ook zo zijn nadelen, met muzikanten die te stoned waren om nog een noot te spelen, bijvoorbeeld.”

Vóór ’66/’67 waren veel apparaten in de geluidsstudio’s nog niet geschikt voor ritmische muziek. Hun reactievermogen was niet snel genoeg. Gardner: „Maar toen werden er apparaten ontwikkeld speciaal voor popmuziek. Zo’n innovatie was de ‘limiter’, die reageerde onmiddellijk. Jean heeft zo’n apparaat toen zelf gebouwd.

Audier: „Daar heb ik bijna een jaar aan gewerkt, speciaal voor een productie van Q65, zij vonden het effect ook machtig. Die single, ‘The Life I Live’ uit ’66, kun je beschouwen als het startpunt van de Nederlandse rock-’n-roll: rauw, smerig, als een kaakslag – de tijd van Doris Day was definitief voorbij.”

Gardner: „Het apparaat zorgde ervoor dat de liedjes ook op de Amerikaanse radio goed klonken. De Amerikanen snapten die brutale sound. Mede daardoor konden het hits worden.”

Toen Gardner voor het eerst op bezoek kwam, stond Audiers handgemaakte limiter op de vriezer te verstoffen. Audier heeft het apparaat opgepoetst en gereviseerd zodat Gardner het kon gebruiken.

Niet alleen muziek heeft zijn interesse, Gardner weet veel over allerlei aspecten van de jaren zestig. Hij weet welke drugs in Londen populair waren (lsd), wie de best geklede Rolling Stone was (Brian Jones), wie wanneer aan een depressie leed (zanger Colin Blunstone van The Zombies, tijdens het opnemen van zwanenzang ‘Odessey And Oracle’, in 1968). Toch noemt hij zichzelf niet nostalgisch. „Ik hou van de muziek en de stijl uit de jaren zestig, maar ik verlang niet naar dat tijdperk. Hoe kan ik terugverlangen naar een tijd waarin ik er niet was? Ik vind allerlei dingen van toen, zoals originele vinyl-lp’s, geweldig. Maar niet uit nostalgie. Ik vind het geweldig omdat het nieuw voor me is.”

Cabinet Of Curiosities verschijnt 11 februari bij Excelsior Recordings. Jacco Gardner tourt: 8 februari dB’s, Utrecht; 9 februari Merleyn, Nijmegen; 10 februari Concerto, Amsterdam. jaccogardner.com

    • Hester Carvalho