Drank

Ook alcoholische dranken zijn aan mode onderhevig. Vroeger schonk men in cafés vaak Hollandse cognac, „een Hollands kjakkie” of „een koetsiertje”. De gezamenlijke slijters besloten, om verwarring te voorkomen, dat alleen Franse cognac, cognac mocht heten en noemden het Hollands drankje vieux. Vanaf dat moment bestelde men een „vjeutje”.

In onze familie werd er alleen op zaterdag drank geschonken en mijn moeder dronk dan rode vermout. Er was toen een versje, een voorloper van „glaasje op, laat je rijden” en dat klonk zo:

„Drink nooit te veel vermout als je vermoedt dat je nog ver moet.”

Port werd toen nog als aperitief genuttigd, tegenwoordig alleen nog maar na het diner, bij de kaas. Alleen wijlen Adriaan Venema dronk nog rode port tijdens het bitteruur.

En hoor je ooit nog iemand een jonge met angostura elixer (een jonge angst) bestellen? Of een Catsje? Om nog maar te zwijgen van brandewijn, dat trouwens naar velpon smaakt. Wel wordt er soms nog citroenbrandewijn („een ceebeetje”) gedronken, maar dat is hoogst zelden. Witte wijn heeft de sherry verdrongen en zeker de wat zoetere soort, de medium sherry, wordt bijna nooit meer besteld.

Wie drinkt er nog donker bier? Oud bruin? Alleen in de herfst wil men nog wel eens aan het bokbier.

Oudere dames bezondigden zich in vroeger tijden nog wel eens aan een advocaatje, maar de meesten zitten tegenwoordig gewoon aan de witte wijn.

Over advocaat gesproken: in de oorlog zag mijn vader hoe twee Duitse soldaten in een café-restaurant ieder een fles advocaat bestelden, die ze lieten opdienen in soepborden, om het vervolgens met smaak naar binnen te lepelen.