De balans van een populaire bouwstijl

Een esthetische analyse maakt duidelijk waarom de jaren-dertigstijl zo geliefd is.

De populairste nieuwbouwwoningenstijl is nog steeds de jaren-dertigstijl. Begin jaren negentig kwam deze stijl op in enkele nieuwbouwwijken, zoals Dierdonk in Helmond, breidde zich vervolgens uit over heel Nederland en is nog altijd niet aan het einde van zijn levenscyclus. ‘Het retro jaren ’30 huis is een type dat altijd verkoopt,’ laat Joost Kingma een projectontwikkelaar zeggen in De magie van het jaren ’30 huis, een bewerking van zijn proefschrift over tuinwijken waarop hij in 2012 promoveerde.

Nog populairder en dus duurder dan nieuwe retro jaren-dertighuizen zijn echte jaren-dertighuizen die in bijna alle Nederlandse steden zijn gebouwd, vaak in tuindorpachtige wijken. Kingma woont zelf met zijn gezin met veel plezier in een jaren-dertighuis. En anders dan de meeste architectuurcritici die retrostijlen negeren of als populistische kitsch afdoen, onderwerpt hij de jaren-dertigstijl aan een analyse om antwoord te krijgen op de vraag waarom die zo geliefd is.

Hiervoor neemt hij een heel lange aanloop en gaat hij uitgebreid in op de paradox dat de vorige, grote economische crisis zulke fijne, mooie huizen heeft voortgebracht waarin geen spoor van de toenmalige malaise valt te ontdekken. De crisis van de jaren dertig, zo legt Kingma uit aan de hand van onder meer statistieken en diagrammen over werkloosheid en bouwkosten, was anders dan nu.

Het waren vooral de laagstbetaalden die werden getroffen door werkloosheid. Goed opgeleide middenklassers ontsprongen de dans en behielden hun koopkracht. Omdat beleggingen in aandelen bijna niets opleverden, staken ze hun geld liever in huizen voor zichzelf en andere middenklassers.

Hiervan bleven de huren en prijzen, ook na de beurskrach van 1929, stijgen. En doordat bouwgrond toen nog niet grotendeels vooral in handen was van projectontwikkelaars, kon iedereen die dat wilde een paar huizen of zelfs een woonwijkje bouwen.

Gebouwd door en bedoeld voor middenklassers werden de huizen uit de jaren dertig relatief ruim en kregen ze, om kopers en huurders te verleiden, veel mooie details, zoals ingenieus metselwerk, houten lambriseringen en schuifdeuren met glas-in-loodramen.

Zo werden ze in Nederland de laatste ambachtelijk gebouwde huizen van de 20ste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog werd, in de strijd tegen de woningnood, in korte tijd een bouwindustrie uit de grond gestampt en werd het bouwen van huizen vooral het in elkaar schroeven van geprefabriceerde onderdelen.

Ook de woonwijken zelf waren in de jaren dertig ruim. De huizen kregen grote kavels, de straten waren vaak lanen waar grote bomen konden staan.

Kingma onderwerpt de jaren-dertigstijl ook aan een boeiende esthetische analyse. De stijl is een mengelmoes van toen vrij nieuwe stijlen, met invloeden van onder meer Frank Lloyd Wright, Berlage, het traditionalisme en de Amsterdamse School. In sommige steden ontstond een herkenbare, locale stijl. Zo kreeg Den Haag de Haagse School van architecten als Co Brandes en Jan Wils, die met zijn horizontale geleding van de gevels en de grote dakoverstekken vooral de invloed van Frank Lloyd Wrights prairiehuizen verraden.

Het geheim van het succes van de jaren-dertighuizen is volgens Kingma dat zowel de architectuurstijl zelf als de stedenbouw van de wijken waar ze staan ‘in balans’ is. De ruim opgezette tuinwijken van die tijd zijn een mooie kruising tussen stedelijkheid en landelijkheid en de stijl bestaat niet uit alleen uit moderne en traditionele, maar ook rationalistische en romantische elementen.

Aan de huidige retro jaren-dertigstijl maakt Kingma niet zo veel woorden vuil. Wel schrijft hij dat de huidige retrohuizen in vergelijking met de echte op krappe kavels staan en dat voor brede lanen en grote bomen in de huidige nieuwbouwwijken geen plaats is.

In de huizen zelf, vaak een herhaling van eenzelfde type, ontbreken de details in het metselwerk en de betimmeringen en mooie overgangen tussen binnen en buiten met luifels, serres en bordessen hebben ze ook niet.

Kingma schrijft het niet met zo veel woorden maar de boodschap is duidelijk: de retrostijl is een armoedige, industriële herhaling van een ambachtelijke stijl en ontbeert ook de ‘balans’ van de echte jaren-dertigstijl.