Alsjeblieft, geen schuldbelijdenis!

John Jansen van Galen schreef een boek vol vermakelijke politieke incorrectheden over zes decennia dekolonisatie. Hoe voltrokken zich opbouw, verzet en afbouw?

De dekolonisatie van het Nederlandse wereldrijk duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. We hebben nog steeds zes koloniën: drie autonome ‘landen’ en drie ‘bijzondere gemeenten’. En er is nog veel postkoloniaal oud zeer. Nabestaanden van slachtoffers krijgen geldelijke genoegdoening voor een moordpartij in 1947 door de Koninklijke Landmacht onder West-Javaanse dorpelingen. Wetenschappers pleiten voor nieuw onderzoek naar buitensporig geweld ‘aan beide kanten’ tijdens de militaire acties in Indonesië van 1947- ‘48. En als een instelling die naspeuringen doet naar het slavernijverleden door bezuinigingen dreigt te sneuvelen, is de verontwaardiging onder Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders groot.

Journalist en publicist John Jansen van Galen (1940) noemt dit ‘onbetaalde rekeningen’. In een dik boek maakt hij de balans op van ruim zes decennia dekolonisatie. Het is tegelijkertijd een balans van zijn eigen journalistieke zoektocht door de voormalige koloniën in de afgelopen halve eeuw. Daarvan deed hij verslag in drie eerdere boeken, waar hij ruimschoots uit put.

Het resultaat is een nieuw, samenhangend werkstuk, dat was bedoeld als dissertatie. Maar na een aanvankelijke afwijzing door de promotiecommissie en na aanvaarding van een aangepaste versie trok Van Galen het ontwerp in. Hij besloot niet te promoveren en werkte zijn proefschrift om tot een boek voor een breder publiek. Daar heeft hij goed aan gedaan. Nog niet eerder was er een journalistieke geschiedenis van de teloorgang van het Nederlandse wereldrijk, in ‘de Oost’ én in ‘de West’.

Radiorede

Van Galen reconstrueert in drie delen de opbouw van het rijk, de opkomst van nationalistisch, anti-koloniaal verzet en de gefaseerde afbouw van het rijk. Hij laat de dekolonisatie beginnen bij de radiorede van koningin Wilhelmina op 6 december 1942 in Londen. Daarin kondigde ze aan dat ‘na de bevrijding [...] het Rijk zal worden opgebouwd op de hechte grondslag van volledig deelgenootschap’. Nationalisten in Oost en West konden voortaan citeren uit gezaghebbende bron.

De Tweede Wereldoorlog opende de overzeese rijksdelen naar de buitenwereld. Suriname en de Antillen kregen te maken met een sterke Amerikaanse presentie, Papoea’s in Nieuw-Guinea zagen in de gelederen van generaal MacArthur zowaar zwarte soldaten, en jonge Indonesiërs leerden onder de Japanse bezetting marcheren en met wapens omgaan.

Van Galen laat de vele en grote verschillen zien tussen de rijksdelen in Oost en West. In de Indische archipel hadden de Nederlanders te maken met oude rijken met hoog ontwikkelde hofculturen en een bevolking – in de jaren dertig – van 60 miljoen mensen. De indiaanse bevolking van de Caraïbische eilanden was toen de Nederlanders arriveerden al goeddeels uitgeroeid door hun Spaanse en Portugese voorgangers en de ‘Wilde Kust’ van Suriname was dun bevolkt. De koloniën in de West hadden samen nooit meer dan een half miljoen inwoners. Ook toefden er veel minder kolonialen en waren er minder familiebanden met de West. Java en Sumatra’s Oostkust waren aan het eind van de 19de eeuw bloeiende planterskolonies, terwijl de plantages in Suriname kwijnden. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’; de West gold als een permanente schade- en kostenpost.

Over Nederlands-Indië bestonden populaire liedjes, het was de voedingsbodem van een literair genre, van Couperus tot Hella Haasse. Dat verschil in emotionele binding, schrijft de auteur, ‘kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met veel pijn afscheid namen van Indië en zo makkelijk, zonder wroeging van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden’.

De verschillen in het dekolonisatiebeleid waren navenant groot. Nederland opteerde voor geleidelijkheid in de Oost en voor snelheid in Suriname. In westelijk Nieuw-Guinea wilde het een ‘daad van vrije keuze’ voor de Papoea’s; in Suriname wilde het vooral geen referendum over onafhankelijkheid. De auteur verklaart deze verschillen in aanpak uit louter pragmatisme, afgaand op een allengs anders gedefinieerd korte termijnbelang. Beginselen speelden geen rol, ook al werd voor de buitenwacht een scala aan principes aangeroepen. ‘In werkelijkheid stond steeds het nationale belang voorop. Nederland wilde zijn terugtocht als koloniale mogendheid volbrengen met zo min mogelijk schade voor zijn financiën, machtspositie en prestige.’

De eerste politionele actie, die van juli ’47, ziet Van Galen als louter pragmatisch. Het ging om het veiligstellen van de baten uit Indië voor het berooide Nederland, door herovering op de nationalisten van suiker- en andere plantages, waarop het ‘evenveel recht had als nu op de aardgasbaten uit Groningen, want Indië was volkenrechtelijk deel van de Nederlandse staat’. De tweede actie, in december ’48, waarbij de republikeinse hoofdstad Yogyakarta werd bezet, was volgens de auteur vooral ingegeven door revanche en rancune. Er was toen, gezien de wegvallende internationale steun, nog maar weinig uitzicht op succes. Het inwilligen van een snelle soevereiniteitsoverdracht, na het uitonderhandelen van belangrijke financiële voordelen, was wel weer pragmatisch, vindt Van Galen.

De Nederlandse opstelling in de kwestie Nieuw-Guinea vindt hij ongelukkig. Door vast te houden aan dat gebied verspeelde Den Haag de kans op goede postkoloniale betrekkingen met Indonesië. Daarmee was geen duidelijk nationaal belang gediend. Ook niet dat van de Papoea’s, die in stelling werden gebracht tegen het land waar ze uiteindelijk deel van zouden uitmaken.

Op de dekolonisering van Suriname valt daarentegen niet veel af te dingen. Van Galen bestrijdt de opvatting van Frits Bolkestein dat Nederland Suriname in 1975 heeft ‘geabandonneerd’. ‘Van in de steek laten is geen sprake. Suriname nam zelf het initiatief om onafhankelijk te worden.’ Het was onmogelijk geweest als de Surinaamse regering die onafhankelijkheid in 1974 niet zelf had opgeëist.

Marktplaats

Resteren de zes koloniën in de West. Van Galen verwerpt de gedachte om de Antillen ‘maar op marktplaats.nl te zetten’ of ze eenzijdig onafhankelijk te verklaren. Het Statuut, zegt hij, is een volkenrechtelijke overeenkomst die veranderingen in de structuur van het Koninkrijk aan de instemming van alle rijksdelen bindt. En de bevolking wil de band met Nederland in stand houden, in weerwil van de retoriek van sommige politici.

Van Galen ziet niets in een ‘moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging’. Bij de beoordeling van dekolonisatiebeleid, zegt hij, moet je simpelweg doelen afwegen tegen resultaten. Dat is verfrissend. Het boek staat ook vol vermakelijke politieke incorrectheden. Zo vindt de auteur het maar niks om de term ‘politionele acties’ te verwerpen als eufemisme voor koloniale oorlogvoering. ‘Formeel en volkenrechtelijk ging het om het bedwingen van een binnenlandse opstand’. In de paragraaf over Molukse immigranten noemt hij ‘integratie met behoud van identiteit’ ‘een even onmogelijke opgave als de kwadratuur van de cirkel’. En over de biecht van minister Ben Bot in Jakarta in 2005 (‘wij stonden aan de verkeerde kant van de geschiedenis’) schrijft hij: ‘Het zal je maar gezegd worden als oud-strijder: naar de andere kant van de wereld verscheept, doodsangsten uitgestaan en ook nog aan de verkeerde kant gestaan!’

Jammer genoeg is de auteur soms slordig en geeft hij blijk van gebrekkige terreinkennis. Rawagede ligt niet ‘ten noordoosten van Jakarta’, daar ligt de Java Zee. Malino, waar in juli 1946 een belangrijke conferentie werd gehouden, ligt niet op Bali, maar op Sulawesi. En het naoorlogse voorstel om NSB-ers te werk te stellen in Nieuw-Guinea is wel degelijk uitgevoerd: in de jaren 1947-1949 zijn er in totaal 247 gehuisvest! Het zijn onnodige smetjes op een geslaagd boek.