Shell in Nigeria: wegduiken kan niet

Ondanks de geclaimde victorie is Shell in Nigeria door een rechtszaak in verlegenheid gebracht, vindt Cees van Dam.

In een historisch vonnis heeft de rechtbank Den Haag beslist dat Shell aansprakelijk is voor een geval van ernstige olieverontreiniging in Nigeria. De zaak was in 2008 aangespannen door boeren en vissers uit de Nigerdelta die door de olieverontreiniging hun broodwinning zijn kwijtgeraakt. Het is, voor zover bekend, de eerste keer dat een westerse rechtbank een multinational heeft veroordeeld voor milieuschade in een niet-westers land.

Het bijzondere van de zaak is ook dat een Nederlandse rechtbank een Nigeriaanse rechtspersoon (Shell Nigeria) heeft veroordeeld om schadevergoeding te betalen aan een Nigeriaanse benadeelde. Dit maakt duidelijk dat landsgrenzen in het recht vervagen, ook als het aansprakelijkheid betreft. De rechtbank wees vonnis op basis van het Nigeriaanse recht, omdat de boeren en vissers hun schade leden in Nigeria.

De eisers hadden zowel Shell Nigeria als moedermaatschappij Royal Dutch Shell gedagvaard, omdat ze beide aansprakelijk hielden voor de olieverontreiniging. De rechtbank behandelde beide vorderingen gezamenlijk, omdat deze voldoende verband met elkaar hielden. Uiteindelijk wees de rechtbank de vorderingen tegen Royal Dutch Shell af. Ze oordeelde dat het toepasselijke Nigeriaanse recht kort gezegd de moeder niet verplicht om op haar dochter te letten. Het is nog niet duidelijk of andere rechtssystemen een dergelijke verplichting wel kennen. Voor gevallen van personenschade of milieuverontreiniging is dit juridisch onontgonnen terrein.

Shell heeft de vonnissen van de Haagse rechtbank verwelkomd. Dit is niet verwonderlijk. De rechtbank wees bijna alle claims van de boeren en vissers af. Het beste punt voor Shell is dat de rechtbank concludeert dat de verontreiniging in alle gevallen is veroorzaakt door sabotage. Dit betekent dat de eisers er niet in geslaagd zijn om aan te tonen dat de lekkages waardoor zij schade hebben geleden het gevolg waren van slecht onderhoud van de oliepijpleidingen of van onvoldoende preventieve maatregelen tegen sabotage. Voor dat bewijs waren eisers mede afhankelijk van informatie die deels bij Shell berust. Verzoeken van eisers om Shell relevante documenten te laten overleggen, werden door de rechtbank evenwel afgewezen.

Ondanks de door Shell verklaarde victorie is het juist die ene verloren zaak die de oliemaatschappij in verlegenheid brengt. Het ging om een verlaten bron die vrij toegankelijk was. De sabotage was op kinderlijk eenvoudige wijze gepleegd, door met een Engelse sleutel een afsluiter te openen. De rechtbank oordeelde dat Shell Nigeria ernstig in gebreke was gebleven bij het beveiligen van de installatie tegen sabotage. Het had een bijzonder gevaarlijke situatie in het leven geroepen die door een derde kon worden misbruikt en had hiertegen meer en betere preventieve maatregelen moeten nemen. Al vóór 2006 en 2007 had het het risico op sabotage tegen relatief lage kosten aanzienlijk kunnen beperken of uitsluiten door de bron af te sluiten met een betonplug, wat „in 2010 na de start van deze procedure feitelijk ook is gebeurd”, zoals de rechtbank subtiel, maar vernietigend overweegt.

Anders gezegd: toen de Nigeriaanse boeren en vissers in 2008 de zaak tegen Shell aanspanden, was Shell nog niet in actie gekomen om de bron behoorlijk te beschermen tegen sabotage. Dit deed het pas in 2010, een jaar nadat de Haagse rechtbank zich bevoegd had verklaard om de zaak inhoudelijk te beslissen. Shell realiseerde zich dus rijkelijk laat dat sabotage het bedrijf niet ontslaat van de verplichting om het risico op sabotage te verkleinen of uit te sluiten.

De voorzichtige conclusies van de rechtbank staan in sterk contrast met een rapport van de Verenigde Naties uit 2011. Hierin werd geconcludeerd dat de Nigeriaanse overheid en oliebedrijven, in het bijzonder Shell, verantwoordelijk zijn voor vijftig jaar olievervuiling in Ogoniland, in de Nigerdelta. Bij deze vervuiling speelt sabotage een rol, maar duidelijk is dat Shell zich niet kan verschuilen achter het enkele feit van sabotage.

Om te beginnen, zijn verontreiniging en sabotage in beide richtingen met elkaar verbonden. Sabotage veroorzaakt verontreiniging, maar verontreiniging veroorzaakt ook sabotage. In dit verband constateert ook Shell dat sabotage de afgelopen jaren alleen maar is toegenomen. Bekend is dat een vervuilde straat criminaliteit uitlokt. Ook Shell zal zich realiseren dat de verontreiniging van een hele regio niet het beste in de mensen boven brengt en dat het ook in dit opzicht een verantwoordelijkheid heeft.

De Haagse rechtbank heeft duidelijk gemaakt dat het miskennen van de verantwoordelijkheid om sabotage te voorkomen voor Shell juridische consequenties heeft. Deze beslissing geeft benadeelden van milieuverontreiniging houvast in toekomstige zaken en maakt duidelijk dat oliemaatschappijen hun verplichtingen niet voor zich uit moeten schuiven totdat een rechterlijke uitspraak dreigt.

Cees van Dam is honorair hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en visiting professor aan King’s College London.