Het Spel

Voor het eerst in mijn leven deed ik een bod op een huis, en na eenentwintig uur lang naar mijn telefoon te hebben gestaard ging hij over en bleek dat het huis verkocht was, voor de vraagprijs, aan iemand die het bovendien wel even cash zou afrekenen. Dat betekende dus dat dit huis, míjn huis,

Voor het eerst in mijn leven deed ik een bod op een huis, en na eenentwintig uur lang naar mijn telefoon te hebben gestaard ging hij over en bleek dat het huis verkocht was, voor de vraagprijs, aan iemand die het bovendien wel even cash zou afrekenen. Dat betekende dus dat dit huis, míjn huis, over niet al te lange tijd bewoond ging worden door een of andere gast die schaterlachend zijn handgemaakte mocassins van roggehuid in de inbouwkast neerzet.

Géén regendouche? Dit is een affront! Maurice, haal me hier weg!

Ik had deze tegenslag niet helemaal verwacht: zinnen als „het is echt een kopersmarkt” en „de meeste makelaars zitten op dit moment zuchtend in hun kantoor en gebruiken hun brochures als pingpongbatjes”, hadden mij het gevoel gegeven dat dit makkelijk ging worden. Dat ik als een koningin langs allerlei huizen zou schrijden, een blik naar binnen zou werpen en zou roepen: „Géén regendouche? Dit is een affront! Maurice, haal me hier weg!” (Dat ik in ruil voor deze luxe de komende twaalf jaar vast zou zitten aan een een steeds waardelozer huis en een hypotheek als een wurgslang probeerde ik maar een beetje te vergeten.)

Het is een wonderlijk proces, op een huis bieden. Het begint met de constatering: dít is het. Dat is een ingrijpende beslissing die vrijwel geheel op raadselachtige gronden wordt genomen.

Het is als verliefd worden, zodra je gekozen hebt, is een scheve vloer charmant, zijn lichtbeige badkamertegeltjes authentiek en is de constante geur van shoarma op het dakterras eigenlijk juist leuk, „want het doet denken aan vakantie”. Vanaf dat moment ben je overtuigd, je vervreemdt vrienden en collega’s van je door steeds maar weer panoramafoto’s van de eetkamer tevoorschijn te halen, je mijmert over de toekomst samen – je wílt het.

Maar je kunt het niet zomaar kopen – hier begint namelijk Het Spel. Het was al snel duidelijk dat ik geen natuurlijke aanleg heb voor Het Spel: als ik besluit iets te kopen, wil ik naar een prijskaartje kunnen kijken en dan door naar de kassa. Dat voor zoiets belangrijks het slagen helemaal afhangt van andere belangstellenden, pokergezichten, geduld, veelbetekenende briefjes die dichtgevouwen over tafel worden geschoven en een goed getimede doos Merci, vind ik een onrustige gedachte. Vooral omdat je dus ook kunt verliezen.

En zo moest ik binnen eenentwintig uur opnieuw mijn hele toekomstvisie bijstellen. Waar ik eerst het huis in mijn hoofd ophemelde, moest ik het nu trash talken: de trap was veel te smal, glas-in-loodramen tochten heel erg en door die centrale ligging verwacht iedereen vast dat elke dronken afterparty bij jou thuis plaatsvindt. Daarna probeer je je verlies te vergeten door direct naar Funda te gaan en een nieuw huis te zoeken, maar net als de pas verlaten persoon die in een discotheek wanhopig een rebound probeert te scoren, denk je bij alles: veelminderleukdandievorige, veelminderleukdandievorige, veelminderleukdandievorige.

Dus probeer je geduld te hebben, prent je jezelf in dat een huis pas gelukkig met jou kan worden als jij gelukkig bent met jezelf, en fiets je over een maand eens langs bij het adresje van the one that got away’ om bij je aartsvijanden een dode paardenkop achter te laten op de deurmat – je weet immers waar hun huis woont.