De verborgen schat van Indonesië

De economie laat mooie groeicijfers zien. Toch neemt de armoede in Indonesië maar langzaam af. Teveel bureaucratie, teveel schimmige praktijken.

Het zou een makkie moeten zijn, in een drukke Starbucks in Noord-Jakarta een paar mensen vinden die graag willen vertellen hoe geweldig het gaat met Indonesië. De zaak zit vol netwerkende, bellende en vergaderende zakenlui. „Sorry”, zegt de man die zijn grote beker koffie op een tafeltje heeft geparkeerd naast zijn iPad, iPhone en Blackberry. „Over één minuut moet ik Skypen met een cliënt.”

Dan maar die jongen die in de hoek over een stapel papier gebogen zit. Is hij aan het studeren? „Nee. Ik neem leningaanvragen door”, zegt hij een beetje verlegen. Hoezo dat? „Ik ben filiaalmanager van een bank hier in de buurt. Hier zit ik rustiger dan op kantoor.” Hij heet Benny, is 25 jaar en werkt bij de CIMB Niaga bank, naar bezittingen de vijfde bank van Indonesië.

Benny vindt het zelf ook wel bijzonder zo jong al zoveel verantwoordelijkheid te hebben. „Ik heb IT gestudeerd aan een privé-universiteit. Ik denk dat de bank daar op aansloeg. We zijn druk aan het uitbreiden en hebben veel personeel nodig.” Met zijn designerbril en donkergroene batikhemd draagt Benny het uniform van de Indonesische zakenman. Wel modern, maar modern op zijn Indonesisch.

Hoeveel filialen van zijn bank er de komende jaren bijkomen om de opkomende middenklasse te voorzien van leningen voor huizen, scooters en eigen bedrijfjes weet Benny niet precies. „Veel”, zegt hij. Wel is hij goed op de hoogte van de winstdoelstellingen. „In 2015 moet de winst met minimaal 200 procent stijgen ten opzichte van dit jaar.” In 2011, het laatste jaar waarvan de cijfers bekend zijn, boekte de beursgenoteerde bank 3.170 miljard roepia (240 miljoen euro) winst.

Het is juist dat soort prognoses, voor Europeanen van haast buitenaardse proporties, waardoor Indonesië in beeld is bij vooraanstaande economen. Zo herhaalde hoogleraar Nouriel Roubini onlangs zijn stelling, dat Indonesië en de Filippijnen de komende jaren betere perspectieven voor groei bieden dan China en India. „Dat zijn de landen waar structurele hervormingen plaatsvinden. Daarom groeien ze met 6 procent per jaar’’, aldus Roubini.

Zijn optimisme is verklaarbaar. Op het eerste gezicht heeft Indonesië weinig gemerkt van de ellende die de afgelopen vijf jaar over de wereld trok. Alleen in 2009, het jaar van de mondiale recessie, viel het groeitempo terug, van 6 procent in 2008 naar 4,6 procent, volgens het Internationaal Monetair Fonds. Maar sindsdien lig het percentage weer boven de 6. Dit jaar verwacht het IMF 6,3 procent groei.

Volgens Didik Rachbini, Indonesisch politicus en invloedrijk econoom, laat juist crisisjaar 2009 zien hoe sterk de economie is. „De uitvoer naar Europa kelderde met 13 procent. Dat kun je instorten noemen. Toch bleef Indonesië groeien, als een van de weinige landen. Het maakt duidelijk dat de binnenlandse consumptie de motor is”, zegt Rachbini in het Intercontinental Hotel in Jakarta, tijdens een congres over ’s lands vooruitzichten. De zaal zit vol. Vooral van journalisten uit China, Japan, Sin-gapore en Australië is veel interesse.

De Indonesische bevolking wordt steeds vaker gezien als een verborgen schat. Toegang tot de Indonesische markt kan omzet en winst ten goede komen. Dat weten de topmannen van Koreaanse en Japanse witgoedgiganten als LG en Samsung, de Australische bankiers van de ANZ Bank, de bazen van de Maleisische vliegmaatschappij Air Asia. Hun reclames en producten domineren de talloze kolossale en drukbezochte winkelcentra die Jakarta rijk is.

Ook Nederlandse bedrijven doen mee. Neem Unilever. Het Nederlands-Britse bedrijf, met een aparte Indonesische beursnotering, zit sinds 1933 in Indonesië en is het meest dominante levensmiddelenconcern. De groei van Unilever is overweldigend. In 2011 steeg de omzet van de voeding- en drankdivisie met 25 procent, die van de divisie personal care met 17 procent. Unilevers winst voor belasting in Indonesië bedroeg in 2011 5.929 miljard roepia (450 miljoen euro), gelijk 10 procent van de wereldwijde winst dat jaar.

Econoom Rachbini verwacht verdere consumptiegroei. „De consumerende klasse moet nog tot wasdom komen”, zegt hij. Volgens zijn berekeningen telt de middenklasse 50 miljoen van de bijna 249 miljoen Indonesiërs. „De komende twee decennia zal zij toenemen tot 70, 80 of 100 miljoen mensen. Armoedebestrijding en welvaartspreiding zijn dus van cruciaal belang voor het economische lot van Indonesië.”

Als gevolg van het actieve beleid van geboortebeperking in de jaren ’70 verkeert Indonesië volgens de Wereldbank momenteel in een demografische sweet spot. De verhouding tussen werkenden en niet-werkenden is in twintig jaar niet zo gunstig geweest. Daadoor hoeft maar een klein deel van het inkomen van mensen te worden gebruikt voor de zorg van ouderen en niet-werkende jongeren. Voor koopkracht en consumptie is dat doorgaans gunstig. „De komende tien tot vijftien jaar zijn essentieel. Daarna begint het demografische tij te keren”, zegt Stefan Koeberle, directeur van de Wereldbank in Indonesië.

De grootste uitdaging voor Indonesië is om die potentieel extreem waardevolle bevolking te laten bloeien. Dat betekent zorgen dat ze goed genoeg wordt opgeleid om mee te kunnen op de arbeidsmarkt. Het betekent investeren in wegen, havens en vliegvelden om de geografisch gigantische markt te bedienen. Het betekent buitenlandse investeringen en bedrijven aantrekken. En het betekent goederen en grondstoffen exporteren om te profiteren van de wereldmarkt. Economen twijfelen of de huidige regering hierin zal slagen.

Om de ultrapositieve loftuitingen van mensen als Nouriel Roubini te temperen, wijst Rachbini op de armoede. Ondanks de onstuimige groei, daalt het aantal armen maar langzaam. In 2005 leefden 35 miljoen Indonesiërs (16 procent van de bevolking) onder de armoedegrens. In 2012 was dat 29 miljoen (12 procent).

Nog verontrustender: de kloof tussen arm en rijk groeit. Inkomensongelijkheid (uitgedrukt in de Gini-coëfficient) is toegenomen van 0,30 in 2000 tot 0,41 in 2012. Rachbini: „Die kloof is in de geschiedenis van Indonesië nog nooit zo groot geweest. Dat is een niet te onderschatten feit.”

De hardnekkige armoede duidt erop dat Indonesië er onvoldoende in slaagt grote delen van de bevolking te betrekken bij de economie. Geef economen een paar minuten de tijd en ze maken gehakt van grote delen van het regeringsbeleid.

Wereldbankman Koeberle: „Men investeert in onderwijs, maar vooral om de salarissen van de leraren te verhogen, niet om ze beter op te leiden. De werkloosheid onder hoger opgeleiden is zó hoog, dat je je kunt afvragen of Indonesiërs wel de vaardigheden bezitten die nodig zijn om in de wereldeconomie mee te kunnen.”

Rachbini: „Vorig jaar is er slechts 100 kilometer aan nieuwe wegen aangelegd. De kosten om goederen van bijvoorbeeld Java naar Sumatra te verschepen zijn torenhoog. Wel geeft de regering jaarlijks miljarden dollars uit aan het subsidiëren van benzine. Hoe politiek gevoelig het ook is, steek dat geld in infrastructuur of sociale voorzieningen voor armen in plaats van de auto’s van de rijken te financieren.”

Ook maakt hij zich zorgen over het ondernemingsklimaat. Gemiddeld duurt het 123 dagen voor een ondernemer een zaak kan openen. Teveel bureaucratie, teveel schimmige praktijken, luidt een veelgehoorde conclusie. Rachbini: „In Singapore heb je binnen twee dagen alle vergunningen rond. Zo moet het.”

Het IMF maakt zich zorgen over de positie op de wereldmarkt. Ben Bingham, IMF-directeur in Indonesië, noemt de regering „weinig ambitieus”. „Als je de grondstoffenhandel weglaat dan exporteert Indonesië evenveel als Vietnam, terwijl Indonesië ruim 2,5 keer zo veel inwoners telt. Dat kan niet. Wil Indonesië echt profiteren van zijn uitstekende demografie, dan moet het proberen een standplaats voor de wereldproductie te worden.”

Terug in de Starbucks, waar Benny ook vaststelt dat het overheidsbeleid vaak tekortschiet. „In China bedenken ze een strategie en die voeren ze in vijf jaar uit. In Indonesië bedenken wij een strategie, maar gaan onze politici na twee jaar iets anders doen. Dat werkt niet. Indonesiërs zouden wat meer als Chinezen moeten denken.”

Toch ziet Benny de toekomst vol vertrouwen tegemoet. „Wij zijn al heel ver”, zegt hij. Zijn ouders zijn net met pensioen. Ze bestierden een restaurant in Medan, de vierde stad van het land. Zij droomden van een goed lopende tent.

Benny ziet het grootser. „Over tien jaar heb ik mijn eigen investeringsmaatschappij.” Wat gaat hem rijk maken? Apple? Facebook? Haier? „Nee. Indonesische bedrijven. De aandelen gaan door het dak. Wij gaan knallen. Let maar op.”

De vorige afleveringen stonden 29 en 31 januari in de krant.