Uiteindelijk is de rouw vluchtig

In haar nieuwe roman De rouwclub van Vrouwkje Tuinman is rouwen om een dode vriend een ontsnapping uit het dagelijks leven. Op een knappe manier wisselt ze ironie en empathie af.

juli 2012 foto judith dekker amsterdam nederland een vrouw in tranen slaat haar hand voor haar mond model released
juli 2012 foto judith dekker amsterdam nederland een vrouw in tranen slaat haar hand voor haar mond model released judith dekker/Hollandse Hoogte

De hypochonder maakt het niet lang in De rouwclub, de derde roman van Vrouwkje Tuinman. ‘Harold wist dat de meeste van zijn kwaaltjes tussen de oren zaten. Maar evengoed had hij ze nog wel. Andere mensen dronken te veel of sloegen hun vrouw, na een moeizame dag. Harold kreeg maagpijn en hinderde daar niemand mee.’ In het eerste hoofdstuk van de roman zien we de 35-jarige Harold Wezeman, de ‘tweede man’ van het popfestival Walhalla, rondstruinen over het feestterrein, middelgrote problemen professioneel oplossend en dan struikelend over een kabel. Het levert hem een gemene blessure op, al brengt die de voortgang van het festival niet in gevaar.

Het zijn dan ook geheel andere oorzaken die maken dat Harold binnen twintig pagina’s van De rouwclub in coma ligt en niet veel later het object wordt van de rouw waaraan het boek zijn titel ontleent. De ‘club’ bestaat uit de vrienden en collega’s van Harold, in grote meerderheid dertigers zoals hij – en ook allemaal mensen die aan de late kant zijn met het stichten van een gezin. Zoals zijn studievriendin Emma, die ook voor het festival werkt. Als zij ’s avonds thuiskomt, ‘was daar een chagrijnige kat, en verder niemand. Met 35 jaar had ze de leeftijd dat ze zich daar zorgen om zou moeten maken’. In de weken na Harolds dood trekt Emma dagelijks naar Harolds woning – ze had de sleutel al – om de katten eten te geven en om op te ruimen. Bij die gewoonte sluiten zich al snel anderen aan: Elmer (de baas van het festival), Victor (de oude beste vriend die Harold eigenlijk niet zo vaak meer sprak), een schoolvriendinnetje en een handvol collega’s. Mooi schetst Tuinman de ambiguïteit van de verhoudingen: de vrienden delen hun liefde voor de dode, maar zijn het er maar half over eens wat Harold Wezeman nu eigenlijk voor persoon was.

De verwikkelingen liggen tot op zekere hoogte voor de hand: woedeaanvallen tussen vrienden onderling die anders met hun verdriet omgaan, het gedoe over kist en urn, het langzaam groeiende besef dat er ook gedacht moet worden aan de toekomst. Die neemt concrete vormen aan, want er moet een nieuw Walhalla georganiseerd worden – waarbij de complicatie is dat Harold, zoals het een tweede man betaamt, het organisatorische hart van het festival was. Op de achtergrond speelt dan nog een warrige stagiair mee, wiens rol bij Harolds dood ook niet helemaal duidelijk is.

De rouwclub heeft alle voor- en nadelen van de realistische roman. Al lezend denk je al snel, zeker als je zelf ook weleens door een doodskistencatalogus hebt moeten bladeren: ja, zo is het precies! Wat betekent dat de schrijver de werkelijkheid knap weet op te roepen, maar óók dat het een werkelijkheid is die niet zo heel veel toevoegt aan de wereld die je al kent. De rouwclub is geen roman waarvan je in de war raakt.

Daar staat tegenover dat er op de uitvoering weinig af te dingen is. Tuinman schrijft met een knappe afwisseling van ironie en empathie. Een hoogtepunt is het portret van Jan, de vader van Harold (let ook op de wrange naamkeuze ‘Wezeman’ voor een man die nooit wees zal worden). Deze Jan is hartverscheurend door het consequent naïeve optimisme waarmee hij de hopeloze situatie van zijn enige zoon ondergaat. Hij is niet tot enige vorm van woede of andere extravaganties te verleiden, blijft lief en dankbaar voor iedereen. Zijn uiteindelijk onloochenbare verdriet weet Tuinman mooi op te roepen: ‘Jan maakte langzaam maar zeker de overgang van overmatige opgeruimdheid naar onderdrukte melancholie.’

In het laatste deel van de roman verovert het gewone leven ruimte terug op de rouwenden. Harolds huis is uitgeruimd; Emma en de anderen gaan hun eigen weg. Sommigen vallen elkaar en passant in de armen, anderen zijn dolblij van elkaar verlost te zijn.

Toch raakt Tuinman aan iets wat verder reikt dan de gebruikelijke wegen van het menselijk verdriet. Want waarom storten al deze mensen zich zo radicaal op hun ‘rouwclub’. Het heeft te maken met de liefde voor de overledene, met het verlangen naar verbondenheid (‘de club’), met het gebrek aan concurrentie – verder hebben de hoofdfiguren niet meer dan werk, katten en onbevredigende relaties. Maar er speelt nog iets: het intrinsieke verlangen om te rouwen, om in alle leegte van het ongebonden bestaan je te wijden aan iets waarvan de ernst buiten discussie staat.

Los van alle verdriet: de karakters van De rouwclub worden mede gedreven door het verlangen naar iets groots, iets waardoor ze alles uit hun handen kunnen laten vallen. De dood geeft ze de kans zich te wijden aan iets wat gewichtiger is dan al het vluchtige in hun leven. Waarbij de door Tuinman knap getoonde paradox is dat ook die overgave aan de rouw uiteindelijk vluchtig blijkt. Alle losse levens hernemen hun loop en het verdriet leeft verder in stilte. Alleen.

Vrouwkje Tuinman: De rouwclub. Nijgh & Van Ditmar, 304 blz. € 18,95 ***