In mijn hoofd is het stap voor stap

Tennisser Igor Sijsling is doorgebroken. Hij stond in de dubbelfinale in Melbourne en staat nu 66ste van de wereld. Met dank aan de coach, meer zelfkennis én fitheid.

Igor Sijsling is los. Hij speelt niet langer wedstrijden in de anonimiteit op achterafbaantjes op troosteloze tennisparken. Eindelijk strijdt hij op de prestigieuze tennistoernooien, heeft hij een trainer met wie hij een klik heeft. Het ‘eeuwige talent’, prof sinds 2005, behaalt mooie resultaten. Eindelijk is hij bevrijd van vele jaren blessureleed. Eindelijk leert Nederland hem kennen. Igor is out there.

Sijsling beleefde vorig jaar zijn grote doorbraak, nadat hij jarenlang buiten de top-100 van de wereldranglijst stond. Begin 2012 was hij nog de nummer 200 van de wereld, nu staat hij 66ste. Hij verdiende tot dusverre een half miljoen euro prijzengeld.

Anderhalve week geleden stuntte hij op de Australian Open door samen met Robin Haase uit het niets de finale van het dubbeltoernooi te halen. Ze zaten in de zone, een overwinningsroes waaruit ze niet leken te ontwaken. Pas in de eindstrijd verloren ze van de sterke Amerikaanse tweelingbroers Bob en Mike Bryan. Volgende week speelt Sijsling op het ABN Amro-toernooi in Rotterdam, in de enkel en dubbel, weer samen met Haase.

In het Amsterdamse Hilton – Sijsling komt op zijn scooter naar het interview – vertelt de 25-jarige Nederlander dat hij „ietsje ouder en serieuzer is geworden”.

Is dat waarom het nu wel lukt?

„Er zijn drie belangrijke redenen voor mijn succesjaar: de samenwerking sinds begin vorig jaar met mijn coach, de Spanjaard Joaquin Munoz. Ik heb mezelf beter leren kennen, zoals mijn speltype, daar kan ik altijd op terugvallen als het minder gaat. En ik ben heel gebleven.”

Wat maakt de samenwerking met je trainer Munoz zo sterk?

„We hebben een heel goede klik, dat heb ik nog niet eerder gehad met een coach. We hebben dezelfde ideeën, bijvoorbeeld over mijn speelstijl: aanvallend, het net opzoeken, op de eerste opslag serve-volley en weinig lange rally’s. En ook naast de baan kunnen we het goed vinden, hij is een goede vriend. We lachen veel en kunnen makkelijk dingen met elkaar bespreken. Hij zorgt ervoor dat ik hard werk. Ik ben van nature niet een hele harde werker, dus ik heb hem daar bij nodig, hij houdt me scherp. En hij geeft me veel zelfvertrouwen. Hij is de grootste factor in mijn opmars.”

Ben je eindelijk de Igor Sijsling die je wil zijn?

„Op een gegeven moment had ik vorig jaar door: oké, dit is hoe ik moet spelen. Dit is hoe ik wedstrijden kan winnen, ook al speelde ik niet mijn beste tennis. Ik heb niet één duel echt heel slecht gespeeld. Zo kon ik klimmen op de wereldranglijst.”

Je ouders namen je op je derde mee naar tennisclub Buitenveldert in Amsterdam. Je moeder is Servische. Zij heeft veel voor je betekend.

„Zij is de belangrijkste persoon in mijn loopbaan, ik heb alles aan haar te danken. Ze heeft Slavisch bloed, ze is superfanatiek, iedere keer kijkt ze mijn wedstrijden online. Ze heeft zelf op laag niveau getennist. Ze heeft me altijd op sleeptouw genomen. Financieel hebben mijn ouders ook veel in me geïnvesteerd. Mijn moeder reed me altijd naar de les en naar toernooien, ze deed er alles voor. Ik heb bijna iedere dag contact met haar, straks ga ik weer even bij haar langs. Zonder haar was ik nu geen toptennisser geweest. Als je zo ver wil komen, moet je vroeg beginnen, dat gebeurt vaak onder een fanatieke ouder. Je moet zo’n ouder hebben om zo ver te komen.”

Heeft ze je vroeger wel eens gepusht?

„Nee. Ik had altijd zelf zin om te sporten. Ze heeft me gestimuleerd en mij kansen gegeven, en die heb ik gepakt. Er werd niet met de zweep geslagen als ik verloren had. Mijn vader was iets meer op de achtergrond. Ik ben mijn moeder heel dankbaar, ik hoop dat ik door middel van deze carrière haar veel teruggeef: iets waar ze trots op is.”

Waarom tennis je?

„ Sporten is gewoon geweldig, die rivaliteit, de mentale spelletjes. Als je mij laat voetballen of basketballen, dan kan ik dat ook uren achter elkaar doen. Ik heb altijd de drang om te sporten. Op dit moment geeft tennis me ook een bepaald soort rust. Als ik wedstrijden speel denk ik niet aan andere dingen en voel ik me vrij. Ik zie tennis niet als een baan – het is mijn hobby, mijn liefde.”

Ben je in je hoofd altijd bezig met tennis?

„Ja. Tennis is mijn leven, het omvat op dit moment alles. Eten, slapen, rusten, plannen. Ik ben vorig jaar maar vier keer uit geweest.”

Wat is belangrijker, je vriendin of je tennisloopbaan?

„Op dit moment mijn carrière. Dat weet zij ook. Als zij griep heeft, en ik moet naar een toernooi, dan ga ik. Tennis gaat bijna voor alles nu. Daar kan zij mee leven. Het is hard tegenover haar, maar het is zoals het is.”

Je hebt aan stoppen gedacht.

„Dat speelde zo’n vier jaar geleden, het was een periode waarin het niet goed ging, ik haalde mijn doelen niet. Ik heb er lang over nagedacht. Er was niet echt een optie om te stoppen, ik geloof in mezelf en ik geniet van tennis. Dus ging ik door. Ik heb er niet met veel mensen over gesproken, ik hou veel voor mezelf. Ik ben een denker, ik zit veel te malen. Ook tijdens wedstrijden, maar ik probeer het dan uit te schakelen.”

Op de baan ben je onverstoorbaar. Emoties laat je amper zien.

„Als ik mijn emoties laat gaan, kunnen ze tegen me werken. Ik heb geprobeerd een lijn te vinden waarop ik stoïcijns door kan dreunen. Het kost me geen moeite meer om mijn emoties uit te schakelen, ik doe het zo sinds mijn achttiende. Vroeger was ik wel een heethoofd. Dit is mijn manier om wedstrijden te spelen. Ik heb die rust nodig om helder een duel door te komen.”

Wat vind je van de kritiek dat het heilige vuur bij jou soms lijkt te ontbreken?

„Daar heb ik maling aan. Dat zijn critici die altijd maar iets te melden willen hebben. Als ze me zouden kennen, weten ze dat ik gebrand ben en er alles voor doe. Dat zijn alleen maar teksten om het publiek te entertainen.”

Als je geen tennisser was geworden, had je na je gymnasium waarschijnlijk psychologie gestudeerd.

„Ja, ik vind het mooi dat je veel kracht uit je brein kan halen. In het tennis is dat ook zo, er is niemand die je helpt tijdens een wedstrijd, je moet alles zelf doen. Je gaat door diepe dalen, daar moet je jezelf weer uit zien te hengelen. Dat vind ik mooi. Een tenniswedstrijd is voor een groot gedeelte mentaal. Ik ben qua mentale weerbaarheid niet bovengemiddeld sterk. Ik kan niet in alle situaties honderd procent gevecht leveren. Ik ben soms te lang teleurgesteld over belangrijke punten. Er zijn spelers die dat beter kunnen verwerken, of er zelfs positieve energie kunnen uithalen.”

Wat zegt het zinnetje ‘bite the bullet’ je?

„De periode van de challengers [de eerste divisie van het internationale tennis]. Je moet bijten. Niet opgeven, als er iets naars op je afkomt. Door de pijngrens heen. Dat is de kern van het leven. Iedereen komt in zijn leven nare dingen tegen, het is de manier hoe je er mee omgaat. Ik heb wel een redelijke bite the bullet-mentaliteit.”

Je zei onlangs in Trouw dat je vroeger wel eens ging feesten als je een toernooi had gewonnen. Doe je dat nu niet meer?

„Het gebeurde wel eens dat ik een goede maand draaide, en dan even stilviel. Dat kan niet, je moet altijd door. Mijn zelfdiscipline is nu voldoende, maar het kan nog beter. Waarom ik het vroeger zo moeilijk vond? Omdat ik ook andere dingen leuk vind, zoals met vrienden omgaan.”

Wat gaan we de komende vijf jaar nog van jou horen?

„Ik wil eerst de top 50 halen, maar dan moet wel alles kloppen. En dan wil ik naar de top 30. Maar in mijn hoofd is het allemaal stap voor stap.”

Interviews geef je liever niet. Waarom?

„In de spotlights staan is niet mijn favoriete bezigheid. Ik hou er niet van over mijzelf te praten. Iedereen kan zien wat ik doe, wat moet ik er dan nog verder over zeggen? Ja, het is ook bescheidenheid en verlegenheid.”