Eén look, toch uniek

Waar zijn ze gebleven, de recalcitrant-opvallende pubers? De tijden van de subcultuur lijken voorbij. Met knalrood geverfd haar maak je geen indruk meer, wel met gave foto’s op Flickr of Chinees in je pakket.

Foto’s Maurice Boyer

Neem een willekeurige aula van een willekeurige middelbare school. Wat valt je op? Niets. Dat is precies het punt. Alle pubers lijken op elkaar. De nieuwe generatie tieners gelooft niet meer in groepjes als metalheads, nerds, skaters, kakkers, alto’s en boybandmeisjes.

Tot grofweg tien jaar geleden waren jongeren als cementen zuilen onderverdeeld in subculturen. Je had de alto’s met hun dreads, flared jeans en niet aflatende liefde voor K’s Choice en Nirvana. Daarnaast stonden de kakkers, met Oilily-sjaaltjes, Vespa-scooters, Mexx-kleding en omgeslagen broekspijpen. En daarnaast de nerds, met hun brillen, witte T-shirts en vormeloze spijkerbroeken, samengedreven in een uithoek van de aula waar ze fervent hun Magic-kaarten uitwisselden.

Tegenwoordig ziet de gemiddelde middelbare scholier er zo uit: meisjes hebben lang haar, dragen Uggs, All Stars of laarsjes, spijkerbroeken, soms een legging met een rokje, vestjes, longsleeves, blouses. Jongens hebben kort haar, dragen Adidas, Nike, Puma of All Stars, spijkerbroeken, hoodies, blouses, of T-shirts met willekeurige Engelstalige kreten. Die zijn zelden grappig, aanstootgevend of politiek geëngageerd, ze etaleren niet eens hun favoriete band. Meisjes worden blij van One Direction, de jongens houden vooral van harde beats. Maar ze luisteren allemaal naar r&b.

Waar zijn de subculturen gebleven, vroeg ik me als docente Engels op een middelbare school in Gouda af. Ik gooide de vraag in de groep.

Onbegrip volgde. En verbazing. De reacties varieerden van „Wat is dat dan, subcultuur?” tot „Hè? Bedoel je indianen? Na een korte uitleg riep iemand: „Je hebt nog steeds hockeymeisjes hoor. Dat zijn wij.” Op de vraag hoe ik dat aan hen kan zien, luidde het antwoord: „Ja, nou, gewoon, wij zitten op hockey.”

„Je hebt nog wel groepjes”, zegt een roodharige leerling uit de tweede klas van het atheneum. „Want ik ga wel met die en die om, en minder met die lui, want we zitten niet echt in dezelfde groep. Zij zijn ook wat stoerder. Maar dat betekent niet dat ik helemaal nooit met hen omga. Want ik vind ze wel aardig.”

Zijn alle tienergroepjes dan echt passé?

Er zijn tegenwoordig grofweg vier subculturen, zegt Marc Delsing, gepromoveerd ontwikkelingspsycholoog aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij deed onderzoek naar jeugdculturen, meer precies: naar de relatie tussen muzieksmaak en persoonlijkheidskenmerken. Dat zijn de rockers, de skaters, de kakkers, en de grootste groep is wat hij de ‘normals’ noemt. „De normals zijn de tieners die vrij mainstream zijn en zich niet uitgesproken identificeren met een tegencultuur. Vroeger waren er meer subgroepen, bovendien was de groep ‘normals’ nog nooit zo groot als nu.”

Precieze cijfers van de grootte van de groepen zijn er niet, maar jongeren worden volgens Delsing steeds „minder uitgesproken”. Dit komt doordat dat jongeren erbij willen horen en zo min mogelijk willen afwijken, paradoxaal genoeg. Delsing: „Het lijkt heel tegenstrijdig. Een jongere is ontzettend aan het experimenteren en op zoek naar zijn eigen ik, tegelijkertijd is er grote angst om anders te zijn.”

Volgens Tom ter Bogt, hoogleraar populaire muziek en jeugdcultuur aan de Universiteit Utrecht, zullen tienerculturen nooit verdwijnen. „Het bijzondere of spectaculaire is misschien niet meer zo zichtbaar. Maar tieners gedragen zich nog steeds hetzelfde: ze willen zich onderscheiden en bijzonder zijn.” Een belangrijke factor hierin is volgens hem de popmuziek. Muziek zorgt voor het ontstaan van groepen. De groeiende groep ‘normalen’ kan er volgens hem te maken hebben dat er de laatste tien jaar geen spectaculaire nieuwe ontwikkelingen in de popmuziek zijn geweest. „In de jaren 50 had je rock-‘n’-roll , in de jaren 80 punk, maar er zijn de laatste jaren geen nieuwe genres bijgekomen. En juist muzieksmaak vertaalt zich vaak naar jeugdculturen.”

Online opvallen

Terug naar de klas. Op de vraag of de leerlingen zelf nog verschillende groepjes kennen, volgt een lange stilte. „Je hebt nog wel een paar gothics”, zegt één van de hockeymeisjes, „die zitten altijd samen. Maar die zijn eigenlijk helemaal niet eng en volgens mij worden ze ook niet gepest omdat ze er anders uitzien.” Anders dan wie dan? „Anders dan gewoon, de rest.”

Als ik later rondvraag blijkt dat collega’s de mening van de leerlingen delen. Een leraar Engels beaamt dat de uiterlijke verschillen verdwijnen. „In mijn tijd maakte het echt nog uit naar welke muziek je luisterde. Hippies gingen niet om met lui die naar soul luisterden. Nu is dat verschil er niet meer zo. Misschien gaat het allemaal via Facebook of Twitter tegenwoordig.” Een andere collega vindt het eigenlijk wel best zo. „Al dat onderlinge afzetten en negatief doen over elkaar, blij dat dat voorbij is.” Een docente Frans verbaast zich vooral dat „tieners zo netjes zijn. Mijn zoon loopt er soms bij als mijn man.”

Maar ja, we hebben het over Gouda. Misschien zijn de verschillen tussen jongeren uit een kleine stad, en bovendien op een christelijke school, wat minder zichtbaar zijn dan op scholen in de grote steden. Toch herkent een collega die lesgeeft op een scholengemeenschap in Utrecht dit fenomeen zeker. „70 procent van de leerlingen lijkt op elkaar en dan met name de meisjes. Die zien er allemaal netjes uit, met dezelfde kleren en hetzelfde haar. Bij jongens zie je iets meer verschil, maar die hebben vooral allemaal veel te grote kleren aan. En sommige etnische minderheden zoeken elkaar veel op, vooral Marokkaanse jongens. Maar vergeleken met toen wij jong waren [ze is 37 jaar] zijn er inderdaad weinig groepjes.”

Vroeger was het nog het ideaal om zoveel mogelijk op te vallen en duidelijk te maken bij welke groep je hoorde. En waardoor je je indirect distantieerde van andere groepen. Door ergens niet bij te horen, was je ook weer iemand. Nu lijkt de norm vooral: niet opvallen qua uiterlijk en je zoveel mogelijk conformeren aan het heersende modebeeld. Waarom is dat?

Misschien is de vraag eerder: waarom zou je je nog richten op uiterlijke verschillen? Pubers profileren zich inmiddels al op een heel andere manier. Door je statusupdates op Facebook, wat je je hobby’s zijn, waar je naar kijkt en luistert. Maar je haar knalrood verven en een T-shirt van de Sex Pistols aantrekken, „dat is zó eighties”. Aandacht trekken mag, maar dan niet op een kinderachtige manier zoals aftandse kleding. Nee, val dan op doordat je volgend jaar een high school year gaat doen in de Verenigde Staten. Of neem er Chinees én Spaans bij in je pakket, of maak muziek op je computer en gooi die online via SoundCloud.

Ter Bogt: „Veel jeugdculturen zijn virtueel. Gamers bijvoorbeeld spelen online uren met mensen over de hele wereld. Jeugdculturen zijn daardoor ook geïnternationaliseerd.” Je hoeft dus ook niet meer je best te doen om leuk gevonden te worden door je klasgenoten die in hetzelfde dorp wonen. Nu het steeds meer om uiterlijk en het bezit van de nieuwste gadgets draait, uit de wil om zich te onderscheiden meer digitaal. Delsing: „Je kunt met internet laten zien waarvoor je staat.”

Als iedereen op elkaar lijkt, of op z’n minst succesvol, jong en geslaagd over wil komen, moet je blijkbaar op een andere manier laten zien hoe bijzonder je bent. Via een hoop interessante updates op Facebook, gevatte tweets, of foto’s van je laatste vakantie op Flickr.

Natuurlijk vroeg een leerling: „Wat was u dan vroeger?”. Mijn antwoord: wannabe alto. Het zei hem niets. Na een korte uitleg volgde de uitroep: „O, u bedoelt een hippie! Dat is toch vet lang geleden?” Inderdaad. Ik en mijn subculturen, wij zijn van vet lang geleden.

Hsin-Chi Berenst is lerares Engels en freelanceschrijver.