De FNV-polderelite gaat ongecontroleerd zijn gang

De FNV wil haar bestuurders beter kunnen screenen. Maar in de cao-stichtingen, waar miljoenen in omgaan, gebeurt dat niet.

Ze vormen de elite van het poldermodel, de honderden vakbondsleden van FNV, CNV en MHP die zitting hebben in de besturen van pensioenfondsen en cao-stichtingen. Ze zijn daar, samen met werkgeversorganisaties, verantwoordelijk voor de miljarden die in die fondsen omgaan. Maar controle op, of screening van leden van die polderelite vindt nauwelijks plaats. Wie zich omhoog werkt via cao-onderhandelingen of voldoende kaderleden weet te mobiliseren, weet zich verzekerd van een baan in die polderhiërarchie.

Maar het is de vraag hoe lang nog. Want screening van vakbondsbestuurders staat sinds vorige week prominent op de FNV-agenda. Aanleiding is het onverwachte vertrek van voorzitter Willem Linders van FNV Bouw. Hij won in januari de interne verkiezingen voor dat voorzitterschap. Maar Linders heeft inmiddels noodgedwongen het veld geruimd, vanwege een al maanden lopend strafrechtelijk onderzoek wegens chantage en afpersing. Dat verzweeg hij tijdens zijn sollicitatiegesprekken.

Waarmee binnen de FNV de discussie losbarstte over betere screening van bestuurders op gevoelige posten. Niet alleen als het om het voorzitterschap van één van de bonden gaat. Ook elders zijn er integriteitsrisico’s, zo bevestigt Mieke van Veldhuizen van FNV Bouw. Zij is werknemersvoorzitter van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor de bouwnijverheid, een fonds dat jaarlijks meer dan 135 miljoen euro uitkeert aan declaraties en subsidies; ook aan haar eigen bond, FNV Bouw.

Enige screening voor die gevoelige post was er bij haar aanstelling niet. Ze werd ervoor gevraagd via haar netwerk van cao-onderhandelaars. Een verklaring van goed gedrag (VOG) hoefde ze niet te overleggen, terwijl de financiële belangen in de wereld van dergelijke cao-stichtingen groot zijn: de meer dan 40 cao- stichtingen die het Nederlandse poldermodel kent, hadden in 2011 een gezamenlijke balanstotaal van 1,8 miljard euro en keerden in dat jaar zo’n 800 miljoen euro uit aan subsidies en declaraties.

„Je zit in een paritair bestuur, waarvan ook vertegenwoordigers van de werkgevers deel uitmaken”, zegt Van Veldhuizen. „Dat is nu het evenwicht. Maar dan nog is het goed als bestuurskandidaten gescreend worden op professionaliteit en integriteit. Bijvoorbeeld, door om zo’n verklaring van goed gedrag te vragen. Of intensiever navraag te doen bij vorige werkgevers.”

Bestuurders in die stichtingen krijgen vacatievergoedingen, veelal gebaseerd op normen die de SER daarvoor hanteert: zo’n 400 euro per dagdeel, voor de voorzitter het dubbele. Formeel moet dat in de kas van de bond of de werkgever gestort worden. Maar vorige week bleek dat bestuurders en kaderleden van de Abvakabo in besturen en adviescommissies er jarenlang een gewoonte van gemaakt hadden om dat geld op hun privérekeningen te laten storten. De bond heeft er nog een particulier recherchebureau voor moeten inhuren om erachter te komen hoeveel bezoldigde bestuurders daar aan meededen.

Wie via de vakbond op een integriteitsgevoelige positie terecht komt, zoals in cao-fondsen of adviescommissies, kan ongecontroleerd zijn gang gaan. FNV Bondgenoten, vanuit de vakbeweging de grootste leverancier voor dat soort banen, screent kandidaten niet, bevestigt een woordvoerder. Het gebeurt overigens wel als het om bestuursfuncties bij pensioenfondsen gaat. Dan controleert De Nederlandsche Bank.

Vaak gaat het om een baantjescircuit waar opvolgers via ballotage benoemd worden, bevestigt directeur Adriana Stel van de Stichting Opleiding en Ontwikkeling Flexbranche (STOOF), een door de uitzendbranche gefinancierd cao-fonds dat miljoenen beheert. „Als er in het bestuur een vacature is, wijzen de bonden of de werkgevers zelf hun opvolger aan. Screening op professionaliteit of integriteit is er niet. Benoemingen gaan via de netwerken van die organisaties.”