Teruglezen: Dagboek van een tweedaags bezoek aan Antarctica

Vorige week werd het eerste Nederlandse lab op Antarctica geopend. NRC-redacteur Lucas Brouwers was erbij en hield een dagboek bij. Lees hier zijn verslag terug.

Dinsdag 22 januari

Met de poolkennis van mijn vrienden en kennissen blijkt het droevig gesteld. „Pas op voor de ijsberen!”, waarschuwden ze me. Steeds legde ik dan uit dat waar ik heenga wel pinguïns, orka’s en zeeluipaarden leven, maar geen ijsberen.

Ik sta te klappertanden op het station. Bizar genoeg zal het op mijn bestemming op Antarctica een paar graden warmer zijn dan in Nederland. Via Chili zal ik naar Rothera afreizen, een Britse basis op het Antarctisch schiereiland, om de opening van het eerste Nederlandse lab op Antarctica bij te wonen. De Nederlanders zullen zeker tot 2015, de gevolgen onderzoeken van de snelle opwarming van het schiereiland voor algen en plankton.

Op Schiphol druppelen de reisgenoten één voor één binnen. Eerst de bestuurders van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), dat mijn reis betaalt. Daarna de Nederlandse vertegenwoordiger binnen het Antarctisch verdrag. De hoge ambtenaar van het ministerie van OCW die het lab gaat openen zal zich later bij het reisgezelschap voegen. Een dag later komen we vermoeid aan in Punta Arenas, een Chileens havenstadje aan het eind van de wereld en toegangspoort tot Antarctica.

Donderdag

Gaan we wel, gaan we niet? Onze piloot bestudeert de meteorologische gegevens op zijn iPad, in een hoekje van de eetzaal.
Even later roept de piloot het reisgezelschap samen. „Good morning. Mijn naam is Alan Meredith, ik ben morgen jullie piloot.” We weten genoeg: vandaag wordt er niet gevlogen. De groep kreunt. Hoog boven het Antarctisch schiereiland woedt een hevige straalstorm, legt Meredith uit, met windsnelheden tot 160 kilometer per uur. Met een volle tank zouden we maar de helft van de overtocht halen.

Dan maar doen alsof. Op een uurtje rijden vanaf Punta Arenas broedt een kolonie van Magellaanpinguïns.

De wind giert om de kleine pinguïns heen. De meeste kuikens liggen plat op hun buik op het kiezelstrand, met hun ogen stevig dicht geknepen, alsof ze hier niet willen zijn. Een maandje nog. Dan zijn ze hun donsveren kwijt en trekken ze naar het noorden.
De wind zwelt aan. Ik trek mijn capuchon nog wat strakker over mijn hoofd. Ik wil hier weg. Zuidwaarts.

Vrijdagochtend

De storm tussen Rothera en Punta Arenas raast nog steeds, pas morgenochtend kunnen we vertrekken.

Zaterdagochtend

Op de startbaan staat de vuurrode Dash-7 voor ons klaar. Piloot, co-piloot en monteur pakken onze koffers en rugzakken aan en snoeren ze vast onder een net van riemen en karabijnhaken in het laadruim. De voorraadkisten die bestemd zijn voor Rothera hebben ze daarvoor al ingeladen. De proviand bestaat vooral uit verse groenten en fruit. Wortels, knoflook, aardappelen, basilicum.

Het laagland van Patagonië maakt al snel plaats voor de bergachtige eilandenarchipel in het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika. Besneeuwde bergtoppen steken als ijsbergen boven de wolkenzee uit. Niet veel later zijn we zelf omhuld door de wolken. Alles wordt grijs.

Zaterdagmiddag

Na bijna vijf uur vliegen, dutten en lezen, leven de passagiers ineens op. „Daar! Is dat een ijsberg?” Als ik een poos door de grijze wolken tuur zie ik inderdaad een helder vlekje wit. Dan breekt het wolkendek open. Voor ons liggen honderden ijsbergen, als witte confetti over een donkerblauw tapijt uitgestrooid. Dikke ijsplaten spreiden zich uit tot ver aan de horizon. In de verte lonken bergen.

De aanvliegroute naar Rothera voert ons langs gletsjers, uitgestrekte ijsvlakten en bevroren bergen. Dan, tegen een kleine bergkam aangekropen, zie ik de Britse basis liggen.

We staan nog geen minuut op de grond, of het gebruinde, ruige hoofd van basiscommandant Matt Brown steekt om de hoek. Aan de rand van de landingsbaan krijgen we onze eerste veiligheidsles. Nooit ergens anders de baan oversteken. Altijd op sirenes en lichtsignalen letten. In een hoekje van de basis ligt een vijftal zeeolifanten te muffen en ronken in de zon.

In het hoofdgebouw krijgen we onze tweede les. Op het naambord van de hal moeten bezoekers en bewoners aangeven in welk gebouw of gebied ze verblijven. „Als er ergens brand uitbreekt en uit dit bord blijkt dat jij daar bent, ga ik mensen naar binnen sturen om je zoeken en redden.” De groep luistert met ontzag.

Het is twee uur. In de loods naast de werf hijsen we onszelf in een loodzwaar waterdicht pak. Eén voor één klimmen we in de Nimrod. Tegenover mij zit Patrick Rozema, een lange, joviale promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen. Achterin zit Mairie Fenton, klein, stoer en Schots. Rozema vertelt enthousiast hoe hij dagelijks in deze boten uitvaart, als het weer het toelaat, om watermonsters te nemen. Eén van de monsterpunten bevindt zich vlak voor de snel smeltende gletsjer in de baai. „Soms kun je delen van de gletsjer horen instorten”, zegt Rozema. Op dat moment horen we een doffe klap in de verte.

Op het water lijkt Brown wat te ontspannen. „Daar ligt Anchorage Island, dat is Lagoon Island en daar… Walvis! Ja, walvis!” Ik heb nog niets gezien, maar Brown laat onze Zodiac alweer over het water scheren. Als hij de boot stillegt, turen we gespannen over het kalme, zwarte water. Daar! Een gepokte rug rijst op en verdwijnt weer onder water. De jonge bultrug ist niet verlegen: onverwachts duikt de kleine reus vlak voor onze bootje op. Bij het ondergaan lijkt zijn staart de boeg te schampen.

Met 45 kilometer per uur stuiteren we langs ijsbergen en eilanden, steeds verder weg van de basis. We minderen alleen vaart als we Zuidpooldieren naderen. Luierende krabbenrobben, de stinkende broedplaats van koningsaalscholvers en een paar adéliepinguïns op de kust. Ondanks haar verkoudheid blijkt Mairi de roep van de adéliepinguïn uitstekend te kunnen imiteren. „Aaaahw”, roept ze hees. „AAAWK”, kraaien de vogels terug.

Zaterdagavond

Om half zeven verzamelt iedereen zich buiten. Het is Australia Day, en na de cricketwedstrijd tussen Engeland en de rest is het tijd voor een BBQ. Biertjes worden in de sneeuw gekoeld. Een expeditiebegeleider en timmerman braden burgers en worstjes in de striemende wind. Een beetje beschaamd vraag ik of er ook aan de vegetariërs is gedacht. „Sure, no worries mate. Kijk maar in die kruiwagen, onderin.”

„Waren jullie dat, vanmiddag in de baai?”, vraagt Tamsin Gray met een broodje in haar hand. Gray was de meteoroloog die ons al in Frankfurt voor het slechte weer waarschuwde. „Ik zat in die Twin Otter die overvloog, maar kon niet zo goed zien wie in de boten zaten. Ik was behoorlijk luchtziek, snap je.” Gray is vanmiddag samen met een piloot en technicus naar een ijskap aan de oostzijde van het Antarctisch schiereiland gevlogen, om de gegevens van een automatisch weerstation te downloaden.

De BBQ-bewakers leggen steeds minder vlees op de BBQ en steeds meer hout. Alleen dichtbij het vuur is het nog warm, elders snijdt de wind dwars door mijn vier lagen kleding heen. Zeebioloog Belinda Vause vraagt of ik haar oranje boilersuit wil lenen. Zij gaat toch naar binnen, terwijl ik en een paar anderen nog een avondwandeling rond de basis gaan maken.

Groepjes adéliepinguïns kijken nieuwsgierig toe, terwijl wij over de rotsen klauteren. Bovenop de klif zien we de monumenten voor diegenen die tijdens hun werk op Antarctica zijn omgekomen. Er is er eentje voor Kirsty Brown, de duiker die tijdens het snorkelen door een zeeluipaard onder water werd gesleurd en verdronk. Er staat een kruis voor het tweetal dat in 1981 met skidoo en al in een gletsjerspleet is gestort. Een plaquette voor de piloten die begin jaren 90 vlak na het opstijgen zijn gecrasht.

Vanochtend hoorden we dat een vliegtuig dat boven Antarctica vermist is geraakt is teruggevonden. De bemanning heeft het ongeluk waarschijnlijk niet overleefd.

Daarboven, uitkijkend over de zwarte baai, de blauwe ijsbergen en witte bergen zie ik Antarctica op haar mooist. Onheil lijkt ver weg. Ik denk aan wat piloot Meredith gisteren tegen mij zij: „Niets aan Antarctica is gewoon. Niets is vanzelfsprekend. Je geeft haar een duimbreed, en zij neemt je leven.”

Zondagochtend

De dag begint met marmite op toast, met uitzicht op ijsbergen. Op het programma staat een tour van het nieuwe Nederlandse lab en het Britse Bonnerlab. Vlak na de koffiepauze (‘smoko’, in Antarctisch jargon) ontstaat er rumoer in het lab. „Orka’s in de baai!” Links en rechts grijpen onderzoekers en duikers naar hun telelenzen en verrekijkers en stormen naar buiten.

Na de lunchpauze is het tijd voor een bezoek aan een ijsgrot. Eerst weiger ik. „Ik moet stukjes schrijven”, brom ik als excuus. Amber Annett, de Canadese die namens het Nederlandse team zal overwinteren, verklaart mij voor gek. „Dit doe je misschien maar één keer in je leven!”

Met zijn zessen aan elkaar vastgesnoerd beklimmen we de ijzige bergvoet. Onze begeleiders, Mike Brian en Scott Webster, lopen voor- en achterop. Webster is professioneel bergbeklimmer, Brian neemt deze winter het commando over van zomercommandant Brown. Voordat de Schot met zijn zwartgrijze haren bij de BAS betrokken raakte was hij natuurkundeleraar, vertelt hij op de weg naar boven.

We komen aan bij een donker gat in het ijs, gemarkeerd met rode vlaggen. Eén voor één laat Webster ons aan een touw naar beneden zakken. Ik ben als derde aan de beurt. Het voelt alsof ik langzaam een veel te smal konijnenhol wordt binnengezogen. Beneden is het spookachtig blauw. Aan het plafond glinsteren ijspegels, op de wanden groeien fijne ijskristallen.

Als een dronken olifant banjer ik door het ondergrondse ijspaleis. Ik stoot mijn helm voortdurend tegen ijspegels, zak op een gegeven moment door de dunne ijsvloer heen en glijd uit waar ik kan. „Hoe stabiel is deze ijsgrot eigenlijk?”, vraag ik, een tikkeltje ongerust door mijn eigen gestommel. „Dat weten we niet precies”, antwoordt Brian kalm. „De grot verandert door de jaren heen langzaam van vorm, door de druk van het ijs eromheen, maar er breken maar zelden stukken af.”

’s Avonds is het tijd voor de uitgestelde opening van het Dirck Gerritsz lab. Vlak voor de ceremonie begint, duiken de orka’s weer op.

Maandagochtend

Sharron Duggan, de Ierse manager van het Bonnerlab tegenover wie ik gisteren aan tafel zat, pakt me vast en drukt een zoen op mijn wang. „Goede vlucht!”

De Dash-7 stijgt weer op, het begin van onze tweedaagse reis terug naar huis. Boven de ijszeeën en besneeuwde eilanden groeit het wolkendek. Het is steeds moeilijker om te zien waar de bergen ophouden en de wolken beginnen. Langzaam wordt het continent weer in grijs gehuld.

We waren nog geen twee dagen op Antarctica, maar het voelt als tien. Voordat ik in mijn vliegtuigdutje afglijd, ga ik in gedachten na wat Antarctica zo bijzonder maakt. De ruige natuur, de helblauwe ijsschotsen. De innemende dieren, totaal niet mensenschuw, van pinguïn tot bultrug. Maar bovenal dat hechte groepje kameraden, aan het einde van de wereld samengekomen om opgewekt en vol vertrouwen een ruig en hard klimaat te trotseren. Het is niets voor mij, maar ik ben toch jaloers.

Bekijk hier een uitgebreide fotoserie van het Antarctica-bezoek

Foto’s Lucas Brouwers en Dick van der Kroef