Natuurlijk navigeren

Wie nu nog een goed idee krijgt is te laat. De inzendingstermijn voor de wedstrijd winter natural navigation van Tristan Gooley sloot afgelopen donderdag, op het moment dat januari februari werd. Je had er alleen een cursus nachtelijk navigeren in West Sussex mee kunnen winnen, dus een ramp is het niet. En een goed idee kan natuurlijk ook in de rubriek AW worden bekend gemaakt.

Tristan Gooley is auteur van het boek The Natural Navigator dat inmiddels een zekere vermaardheid heeft. Het verscheen in 2010 en is ook in deze krant besproken. Gooley heeft jarenlang expedities geleid, hij liep, hij klom, hij zeilde, hij vloog en hij begon rond 2000 een eigen navigatieschool. Een school voor natural navigating, dat is het soort navigeren in de vrije natuur waarbij men opzettelijk géén kompas en horloge gebruikt, laat staan een smart phone. Geheel instrument free dus, zoals vroeger de Eskimo’s, de Toearegs en de lui van de Stille Zuidzee.

’t Is geen nieuwe hobby. De in backpackkringen befaamde Colin Fletcher van The Complete Walker (1968) nam vaak niet eens een kaart mee op zijn trektochten door Amerika. En al in 1958 publiceerde Harold Gatty de gids Nature Is Your Guide: How to Find Your Way on Land and Sea by Observing Nature die ook al aanwijzingen gaf voor het padvinden in de natuur zonder technische hulpmiddelen. De natuur heeft zijn eigen clues, zei Gatty.

En dat is natuurlijk ook zo. Als er geen wolken zijn en zon, maan of sterren helder aan de hemel stralen dan kan elk mens met een beetje verstand van kosmografie de weg wel vinden. De poolster wijst het noorden aan, de middagzon het zuiden, enzovoort. No problem.

Hoe slaat de natural navigator zich door de wildernis bij een egaal bedekte hemel, daar gaat het om. Hoe vindt hij dan het noorden of zuiden, hoe komt hij dan bij die brug, beek, wegsplitsing of stad die hij per se niet missen mag? Hoe komt hij dan weer uit de wildernis als hij daar genoeg van heeft. Zoek dat eens op in die boeken, en je vindt opeens veel minder stelligheid. Dan gaan de auteurs omstandig uitleggen hoe je bij zwaar bewolkt weer binnen de bebouwde kom het noorden of zuiden vindt. Dat kerken west-oost staan, dat die antieke zonnewijzers op het zuiden zijn gericht en dat ook satellietschotels een vaste oriëntatie hebben. Alsof je niet aan het eerste het beste oude vrouwtje kan vragen waar het zuiden is.

De hemel met het egale wolkendek is de lakmoestest voor de natuurnavigator. Hoe vindt hij zijn weg in het bos of veld waarboven zo’n hemel staat? Er zijn drie middelen: afgaan op de herinneringen die het landschap bewaart aan de zonneschijn van de afgelopen uren (of maanden, jaren), letten op de inwerking van wind uit een overheersende (en bekende) richting of kijken naar dieren of sporen van dieren die zich goed kunnen oriënteren.

Enfin, het onderwerp kwam hier al eerder ter sprake. Om kort te gaan: het is onzin dat mos, korstmos en algen vooral op de noordkant van boomstammen groeien, of een andere voorkeur hebben. Ook zijn jaarringen niet extra breed aan de zuidkant van de boom. Zonnebloemen en bosanemoontjes bloeien niet een vaste kant op.

Dat vrijstaande volgroeide bomen altijd een asymmetrische kruin hebben die door zonne-invloed het zwaarst is aan de zuidkant, zoals Gooley meent, is zeer discutabel. De kans dat de asymmetrie is opgewekt door een overheersende windrichting, zoals Gatty laat zien, is altijd aanwezig, maar groter nog is de kans dat andere bomen, die inmiddels verdwenen zijn, de asymmetrie opwekten. Je hebt er in de praktijk, excusez le mot, geen reet aan.

Wat blijft er over? Het kan zijn dat mierenhopen een karakteristieke oriëntatie bezitten. Misschien rotten de houten palen langs het weiland vooral aan één bepaalde kant. En er moet haast wel verschil zijn tussen de vegetatie aan de noord- en zuidkant van een holle weg die west-oost loopt.

Maar eigenlijk is het verbazend om te zien hoe weinig clues de natuur biedt. Als je bedenkt dat alle bomen in het bos voor hun bestaan op zonlicht zijn aangewezen en dat dit licht overwegend van één kant komt, dan zou je daarvan een effect verwachten. Ga nu eens met Google Earth naar een luchtfoto van de Ardenner bossen en probeer zo’n effect te vinden. Het is er niet.

Terug naar de wedstrijd van Gooley waarbij het er in het bijzonder om ging winter clues te vinden. Dubbel zo moeilijk. De AW-redactie bracht vorige week vijf dagen door in de zwaar besneeuwde Ardennen. De wind woei uit richtingen tussen noordoost en zuidoost, de hemel was bijna permanent betrokken en de nachttemperatuur van -7 graden liep overdag op tot -3 à -2.

Nieuwe clues gezien? Nee, zelfs geen oude. Het woei te weinig om ribbels in de sneeuw te krijgen. Het warmde overdag niet genoeg op om karakteristieke dooiplekken te vinden op plekken die naar de zuiderzon keken. De sneeuw die tegen de bomen was gewaaid zat dan weer aan de westkant en dan weer aan de oostkant. Onbruikbaar.

Ja, er lagen nogal wat ontwortelde bomen. Bomen waaien om bij zware en zeer zware stormen en die komen in onze omgeving bijna uitsluitend uit richtingen tussen noordwest en zuidwest. Dus hun valrichting levert een vage clue op. Maar, zegt Rob Sluijter van het KNMI, in de zomer worden bebladerde bomen ook makkelijk door windstoten van zware buien omgehaald. Die kunnen uit alle richtingen komen. Weg clue.

De koeien stonden natuurlijk op stal maar er kwamen geregeld reeën in beeld. In 2008 berichtten Sabine Begall en vrienden in de PNAS dat grazende koeien zich bij rustig weer meestal noord-zuid opstellen. Dat hadden zij uit de luchtfoto’s van Google Earth afgeleid. Reeën deden het nog veel uitgesprokener, die rustten ook in noord-zuid positie.

Het is er niet van gekomen, maar in een besneeuwd bos is een reeënleger wel te vinden. Altijd noord-zuid gericht, het is te mooi voor woorden. Maar zou het waar zijn? Dat kan de lezer zelf nagaan. Zoek met Google Earth de grazende koeien op in de Hollandse weilanden. Hoed u voor een bittere teleurstelling.