De hele dag horen we ontploffingen

Simone Vis is hoofd van het onderwijsprogramma van Unicef in Turkije. Ze bezoekt daar deze week een Syrisch vluchtelingenkamp: „Een meisje van 8 jaar vraagt me of ik weet waar haar grote broer is die in Syrië is achtergebleven. Ik val even stil.”

Vrijdag 25 Januari

Vaak, als de situatie van Syrië op televisie komt, gaat het over strijdende partijen en het conflict. Niet over mensen, en al zeker niet over kinderen. Toen ik vorig jaar hier in Kilis, Turkije, voor het eerst in één van de opvangkampen voor Syrische vluchtelingen kwam, sprak ik met een meisje van 13 jaar. Ze vertelde me over haar vlucht. Ze had meer leed gezien dan een kind ooit kan dragen. Haar grote broer werd doodgeschoten en zij moest toekijken.

Tot nu toe zijn er door het conflict in Syrië 60.000 doden gevallen. Er zijn 670.000 vluchtelingen. Ik ben onder de indruk hoe de Turkse overheid de grenzen heeft opengezet. En van de kwaliteit van de hulp die ze de 160.000 vluchtelingen in de kampen bieden. Ze worden hier ‘gasten’ genoemd, geen vluchtelingen. Daar kunnen wij Nederlanders nog iets van leren. Maar de Turken zijn een trots volk. Het liefst doen ze alles zonder hulp. Pas sinds kort is Unicef gevraagd de Turkse overheid te ondersteunen. Vanaf volgende week beginnen we met onderwijs, psychosociale hulpverlening en jeugdprojecten voor de 97.000 kinderen in de veertien kampen.

Zaterdag

Tussen het middagslaapje van onze kleinste door snel naar een belangrijke vergadering met twee hoge Amerikaanse diplomaten.

Halverwege de vergadering belt mijn oudste drie keer. Uit bezorgdheid neem ik op om vervolgens een hele logistieke operatie op touw te moeten zetten voor een winkeluitje dat ze spontaan met vriendinnen had bedacht. Hopelijk spreekt de delegatie geen Nederlands.

Tot laat gewerkt aan een funding proposal voor uitbreiding van de psychosociale ondersteuning voor kinderen met trauma’s. En met vrienden uit Nederland via Skype onze zomervakantie uitgezocht. We kiezen een fijn plaatsje aan de Turkse kust. Besloten me maar niet schuldig te voelen over het afwisselen van deze twee niet te combineren zaken.

Zondag

Wat had ik graag een talenknobbel gehad. Op zijn minst een bultje. Hele dag aan de telefoon met leveranciers en vrachtwagenchauffeurs van winterkleding en schoenen voor 12.000 kinderen in Akçakale, één van de vluchtelingenkampen. Mijn doorgaans effectieve gebarentaal werkt niet via de telefoon. Net voor het slapengaan krijg ik het bericht dat de laatste truck is aangekomen. De timing is perfect: buiten sneeuwt het. In plaats van blij te zijn met het bericht, voel ik me uitgeput. Dit betekent namelijk dat in dertien kampen kinderen nog geen warme kleren hebben. Maar daar hebben we nog even geen fondsen voor.

Maandag

Vanavond regent het sms-jes uit Nederland dat de koningin afstand zal doen van de troon. Hier is het dan 9 uur, de kinderen liggen er net in. Uit historisch besef ze toch maar wakker gemaakt. De ontvangst via de satelliet is slecht, maar we kunnen het goed volgen. De koningin brengt Nederland even heel dichtbij.

Dinsdag

Morgen ga ik voor vier dagen naar de grens met Syrië. Ik moet nog veel doen om dat goed voor te bereiden.

Woensdag

Vanavond, in een klein hotel in het prachtige Mardin, crisisoverleg met vier collega’s. Het plan was om morgen om 05.00 af te reizen naar het vluchtelingenkamp Ceylanpinar, maar we hebben van de VN security officer gehoord dat er de afgelopen 24 uur beschietingen zijn geweest op de route daarnaartoe. Verdwaalde granaten die op Turks grondgebied komen. We krijgen geen toestemming om af te reizen. Ontzettend balen. Een Turkse hotelmedewerker die uit dat gebied komt, haalt zijn schouders op als we vragen of hij bang is. Het went, zegt hij. Ik ga met een naar gevoel slapen. Wat voor impact moet dit hebben op de kinderen die daar wonen?

Donderdag

Op weg naar kamp Akçakale krijg ik een sms van mijn 11-jarige zoon. In gebrekkig Nederlands: ‘Ik hoop dat de kampen niet te heftig voor je is’. Heftig zal het zeker zijn. Hoewel ik professioneel blijf, raakt zo’n bezoek me telkens weer diep. Vandaag reist er een Unicef-collega uit Jordanië mee. Ook hij is onder de indruk als we het kamp binnenrijden. Het ziet er allemaal mooi en strak georganiseerd uit. Maar wat opgezet was voor 10.000 mensen, wordt nu al bewoond door meer dan 30.000 vluchtelingen. En elke dag komen er mensen bij. Toch heerst er geen chaos. Wel gelatenheid.

Het regent de hele dag en er hangen dikke zwarte wolken boven het kamp. Het onheil dat er is, of nog komen gaat?

We spreken met de kampmanager. Hij is moe, vertelt hij. Het valt niet mee dagelijks te werken met mensen die getraumatiseerd zijn. Ik begrijp wat hij bedoelt: als ik door het kamp loop, zie ik veel mensen, maar ik hoor vrijwel niets. Alleen de stilte. Akelig. Zij die Engels kunnen, spreken me aan. Los van de boosheid („We worden door de wereld in de steek gelaten”) vind ik nog een rode draad in hun verhalen: die van dode geliefden en vermiste familieleden. Ik zie twee vrouwen met een paar kinderen. De tolk vertelt hun verhaal. Het zijn buren en hun mannen en een neef zijn afgelopen zondag in Aleppo meegenomen door soldaten. Een meisje van 8 vraagt me of ik weet waar haar grote broer is die in Syrië is achtergebleven. Ik val even stil. Ik weet het ook niet. Dat valt me zwaar. Ze nodigt me uit in haar tent. Terwijl ze thee zet, speel ik met haar broertje van anderhalf. Plots horen we zwaar gedreun van een ontploffing. „Dat is aan de andere kant van de grens, in Syrië”, zegt ze koelbloedig, terwijl mijn hart in mijn keel klopt. Haar broertje begint te huilen en ze zucht. „Dat doet hij s’ nachts ook steeds als er bommen vallen.” De rest van de dag horen we nog regelmatig ontploffingen.

Als ik laat in de avond incheck bij het hotel van deze nacht, aarzel ik even voordat ik mijn paspoort laat zien. „Aaah”, roept de baliemedewerker enthousiast. „Holland!” En ja, wederom hoor ik mezelf vertellen dat ik Wesley Sneijder echt niet persoonlijk ken. Vreemde wereld.

Vrijdag

Gisteravond vroeg mijn dochter aan de telefoon: “vragen jullie dan ook aan de kinderen wat zij zélf willen?” Mijn heerlijke tiener, die ook altijd zo graag haar mening geeft, neemt het op voor haar Syrische leeftijdsgenoten als ik haar vertel over het jeugdproject dat we in alle kampen aan het optuigen zijn. Ze kan zich niet voorstellen dat haar moeder, die nauwelijks weet hoe een iPhone werkt, iets cools kan bedenken voor de jeugd. Jongeren vormen onze grootste zorg. Er is weinig afleiding en ze zijn oud genoeg zijn om te begrijpen welke impact deze oorlog op hun leven heeft. Het maakt ze boos en opstandig, er is veel onrust. Het is ook voor deze kinderen van levensbelang dat ze een veilige plek hebben en tot rust kunnen komen. Hun verhalen kwijt kunnen. Begeleiding krijgen. Dat geldt voor Lina, het meisje van 15, dat is verkracht door soldaten. En voor Ali, ook 15, die sinds zijn aankomst in het kamp nog geen woord gesproken heeft.

Soms maakt dit werk me machteloos; zo veel kinderen, zo veel verhalen. Maar met mijn werk kan ik in ieder geval iets voor ze betekenen.