Blij dat ik rij

Twintigers willen vrijheid. Daar hebben ze geen eigen auto voor nodig. Ebele Wybenga (25) over het nieuwe rijden.

Mijn ouders reden een oude Saab, een lichtblauwe tank met grote rubberen bumpers. Als kind op de achterbank droomde ik van het moment dat ik voor het eerst een auto zou kunnen kopen, eentje zonder benzinegeur en loslatende bekleding. Een eigen auto is één van de grote stappen van het volwassen worden, net als een bul, een baan, een huwelijk en een hypotheek. Stappen die gewoonlijk tussen je twintigste en dertigste worden gezet. Maar voor mijn generatie, vaak Generatie Y genoemd, grofweg geboren tussen 1980 en 1995, spreekt dit niet meer vanzelf. Hoe anders we denken dan onze ouders blijkt vooral uit onze omgang met de auto. Auto’s spelen een steeds kleinere rol in ons dagelijks leven en lijken voor onze toekomstdromen en identiteit niet belangrijk meer.

In de Verenigde Staten lopen en fietsen jongvolwassen de autoshowrooms en masse voorbij. In de afgelopen vijf jaar daalde de verkoop van nieuwe auto’s aan 18- tot 34-jarigen met dertig procent, volgens de Amerikaanse automarktplaats Edmunds.com. In Duitsland en in de Verenigde Staten halen steeds minder jonge mensen hun rijbewijs. Uit de Mobiliteitsbalans 2012 van de Rijksoverheid blijkt dat ook Nederlandse jongvolwassenen steeds minder automobiel worden. In 1995 waren 18- tot 29-jarigen nog goed voor 20 twintig procent van de automobiliteit in Nederland, in 2011 nog maar voor 14 procent. Het afnemende autogebruik van jongeren remt de groei van het totale autogebruik in ons land.

Hoe komt het dat deze leeftijdsgroep niet meer om auto’s geeft?

Ooit was een auto een symbool van vrijheid en een uiting van individualiteit. Die dubbelrol is voor mijn generatie volledig overgenomen door een internetverbinding. Ons idee van mobiel zijn heeft geen wielen maar WiFi of 4G. Toegang tot diensten, op elk gewenst moment, is belangrijker dan bezit. Om in contact te zijn met iedereen die belangrijk voor ons is, stappen we niet in de auto, maar pakken we onze smartphone. Voor de Verenigde Staten en een aantal andere Westerse landen geldt dat het intensieve internetgebruik van Generatie Y hand in hand gaat met lager autogebruik, blijkt uit een onderzoek van de universiteit van Michigan.

Natuurlijk heeft de economische situatie ermee te maken. Voor starters is het lastig om aan een vaste baan te komen en een hypotheek te krijgen. Niet het natuurlijke moment om zelfverzekerd de glimmende vloer van een autodealer op te stappen. Met de barre vooruitzichten op de arbeidsmarkt is het aantrekkelijk om je studententijd nog wat te rekken – iets wat steeds meer twintigers doen – en als student kun je meestal prima zonder auto.

Verstedelijking speelt ook mee. Jongeren wonen steeds vaker in de stad, waar ze geen auto nodig hebben, terwijl het platteland, waar auto’s onmisbaar zijn, vergrijst. Hoogopgeleide stedelijke twintigers zullen er niet over peinzen een instapmodel Kia te kopen, ook al kunnen ze het betalen. Ze uiten zichzelf liever met een liefdevol opgeknapte racefiets.

Techno pink

Autofabrikanten zijn radeloos. General Motors heeft de reclametak van MTV, Scratch, ingehuurd om de wensen van jonge mensen beter te begrijpen. Helaas blijkt de tv-zender die in de jaren tachtig groot werd met videoclips het jongerenmedium van de vorige generatie. Hun advies leidde tot speciale jongerenmodellen van Chevrolet, met kleuren als ‘denim’, ‘lemonade’ en ‘techno pink’. Ford heeft een research lab geopend in Silicon Valley, de geboorteplaats van innovaties die wel door jongeren worden begeerd. In een recente Ford-advertentie verdrinkt hun nieuwe Fiësta in de headphones, skateboarders en dj’s. Typisch wat een slecht geïnformeerde veertiger voor zich ziet als hij aan jongeren denkt.

Auto’s in kinderkleuren verven en volstoppen met touchscreens en gadgets zal jonge mensen niet de showroom inlokken. Dit gaat namelijk niet om een tijdelijke dip in de vraag, maar om een cultuurverschuiving. In de ogen van mijn generatie staat bezit niet voor vrijheid. Vrijheid is een huurhuis in de stad, freelance werk, de hele product range van Apple, geen haast maken met trouwen, een mooie fiets en een onbeperkt data-abonnement.

Als we toch een keer een auto nodig hebben, zijn er genoeg mogelijkheden. In Amsterdam kun je waar en wanneer je wilt in een elektrische Smart van car2go stappen. Je ontgrendelt het autootje met een car2go-pasje, rekent automatisch af per minuut en kan hem overal in de stad weer achterlaten zonder parkeergeld te betalen.

Als je een stationcar nodig hebt om te verhuizen of een cabrio voor een weekend weg, huur je zo’n auto gewoon van een particulier uit de buurt. Dat kan met carsharing-diensten als WeGo en SnappCar. Je buurtgenoot die z’n auto weinig gebruikt maar er emotioneel geen afstand van doen verdient zo wat van zijn autokosten terug.

Collaborative consumption, gedeeld gebruik, wordt voor mijn generatie als eerste normaal. Het betekent slim lenen en huren zodat je minder bezit, maar niets tekort komt. ZipCar, een Amerikaans autodeelbedrijf dat ook al actief is in Engeland, maakte dit begrip populair. Autoverhuurder Avis nam ZipCar begin dit jaar over voor een half miljard dollar. Het concept lijkt op het Nederlandse Greenwheels, maar er is één belangrijk verschil. Greenwheels verhuurt rode Peugeotjes met lelijke groene belettering die je de uitstraling bezorgen van een krenterige milieuzeurpiet. ZipCar stopt z’n jonge klanten in een Mini, een auto met een onbetwiste cool factor, passend bij onze imagobewuste generatie. Dat we minder om auto’s geven betekent natuurlijk niet dat het ons koud laat in welke auto we worden gezien.

Ebele Wybenga (25) heeft een rijbewijs en een car2go-pasje maar geen eigen auto