Lijst persvrije landen: eigen baas kan ook onderdrukken

De ranglijst van persvrije landen hanteert een nieuwe meetmethode. Niet alleen politieke, maar ook economische repressie telt nu mee.

Voor het derde jaar op rij is Finland het meest persvrije land ter wereld, op de voet gevolgd door Nederland. De onderkant van de lijst wordt, net als vorig jaar, aangevoerd door Syrië, Turkmenistan, Noord-Korea en Eritrea. Jaarlijks rekent Reporters zonder Grenzen (Reporters sans Frontières, RSF) uit hoe persvrij landen zijn – dit jaar met een nieuw puntensysteem. Nederland scoort 6,48. Eritrea haalt 84,83 punten en is daarmee laatste.

Hoe komt RSF aan zo’n cijfer en hoe betrouwbaar is dat? Hoe kan het dat Malawi ineens 71 plekken hoger staat dan vorig jaar en dat Israël twintig plekken is gezakt?

„Dit jaar wegen geweldsindicaties zoals moorden en arrestaties van journalisten veel minder zwaar mee dan vorig jaar”, vertelt Antoine Héry, hoofd afdeling methodologie bij RSF in Parijs. Bovendien telt geweld alleen negatief mee. Wordt een journalist vermoord, dan zakt dat land op de lijst. Vinden er geen of minder moorden plaats, dan stijgt het land niet. „Dat is om te voorkomen dat uit gesloten landen zoals Eritrea en Noord-Korea, het ontbreken van geweldscijfers wordt geregistreerd als het ontbreken van geweld”, zegt Héry.

In veel landen is het moeilijk om data te krijgen, vertelt een RSF-woordvoerder vanuit Brussel. „Voor journalisten in Iran is het bijvoorbeeld gevaarlijk om contact te hebben met ons. Dan maken we gebruik van lokale organisaties.” Volgens Héry zijn die gegevens dan niet minder betrouwbaar, omdat „we over een uitstekend netwerk van ngo’s beschikken”.

Met de nieuwe methode vertalen de samenstellers kwantitatief en kwalitatief onderzoek naar een score van nul tot honderd. Nul betekent absolute persvrijheid; bij honderd kun je in het desbetreffende land beter geen journalist zijn. Naast geweld zijn er zes andere maatstaven, zoals onafhankelijkheid, wetgeving en censuur.

Dat laatste werd voorheen gezien als verbod op publicatie door de autoriteiten. Vanaf dit jaar wordt ook zelfcensuur door eigenaren van media meegeteld. RSF richt zich daarmee nadrukkelijker op zaken waar Europese media vaker dan anderen mee te maken krijgen, zoals het effect van de economische crisis op redacties en belangenverstrengeling. De RSF heeft meer toetspunten over de invloed van media-eigenaren op de inhoud toegevoegd.

Maar of dat merkbare veranderingen op de lijst teweeg heeft gebracht, is niet te zeggen. Er zijn wel veel opvallende verschuivingen in de lijst ten opzichte van vorig jaar, maar Héry waarschuwt dat de resultaten „absoluut niet vergelijkbaar” zijn. Wel kun je per land voor- of achteruitgang bijhouden, volgens hem.

Zo daalt Israël met twintig plaatsen naar nummer 112, volgens het RSF-rapport, omdat het tijdens het Gaza-offensief in november journalisten heeft gedood.

De Verenigde Staten gaan er juist op vooruit met een stijging van vijftien plaatsen naar nummer 32. De VS waren in 2011 weggezakt omdat bij de gewelddadige ontruiming van protestkamp Occupy Wall Street volgens het rapport „journalisten niet werden gespaard”.